Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die men tegen boosdoeners nam: zelfs bereden politie was met den veiligheidsdienst belast. Maar nu, in 1678, had „de wyse Maatschappy een beet'ren raat gevonden". En die bestond hierin, zegt de „Seegenwensch" van 1680, dat

„Tot vrying van Den Haag van dese droeve rampen

Deed sy door d' gansche stat langs yder kay en straat Lantarenen voorsien met cierlik oly-lampen Veel hondert in getal oprechten".

Een afdoende verbetering werd van deze „oprechting" verwacht. Want — zoo zingt de dichter van den „Seegenwensch" — is de avond gevallen, dan

„Syn dees ligten strax de dieven een verraat,

Ontdeckers van gewelt, Beveyligers der weegen,

Leitslieden voor de liên, waar dat men henengaat".

Maar de dichter heeft ook het oog op hen, die met een nat zeil bij avond en ontijd naar huis laveeren; ook die kunnen met het „lantarenen-licht" hun voordeel doen.

„Soo yemand door de wyn, door Rins off Franse-voght

Te veel beladen is, geen regte pas kan houwen,

Wien 't hooft begint rontom te drayen in de loght,

Dien dronken slinger-voet verstrecken s' tot Flambouwen".

Dat er, ook al was men niet door Rijn- of Fransche wijn beladen, in den Haag nog gelegenheid genoeg bleef bestaan om in het duister te vallen of in vuiligheid en slijk terecht te komen, die volgens den dichter van den „Seegenwensch" wel „een klaauw hoogh lag", mag men zeker wel afleiden uit het feit, dat er in 1678 slechts honderd lantaarns werden geplaatst, welk getal evenwel spoedig op het drievoud gebracht werd. De uitgave daarvoor was niet onaanzienlijk: iedere lantaarn toch kostte zeven, de palen en het stellen ervan vijf gulden. Het onderhoud der lantaarns kwam voor rekening der ingezetenen, maar het inwerpen van de glazen was ten laste der overheid. De jeugd van voor

Sluiten