Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is hare leer; hoe schoon de onderlinge overeenstemming van al hare deelen !

In den regel kenmerk! zij zich door eene onopgesmukte, echter niet onbeschaafde eenvoudigheid, die grooten eerbied wekt. Dit is zoo, opdat hare vrucht niet aan menschelijke maar aan Goddelijke kracht worde toegeschreven, 1 Cor. 2 : 4.

Geen menschelijk geschrift, hoe kunstmatig samengesteld en opgesierd, kan zulk een indruk op ons maken als de Schrift. De H. Schriften ademen iets Goddelijks, daar zij alle gaven en bevalligheden des menschelijken vernufts zeer verre overtreffen.

Wel zijn vele gedeelten der Schrift sierlijk en welsprekend in hooge mate, doch hierdoor toont de H. Geest, dat Hij over alle gaven beschikt. Maar hetzij de stijl der profeten liefelijk en aangenaam vloeit, of hard en boersch klinkt, overal valt de majesteit des Geestes in het oog.

Ook de oudheid der Schrift is van niet gering gewicht. Er bestaat geen gedenkteeken van eenigen godsdienst of het is veel later dan Mozes' tijd.

Wat de getuigenissen der Egyptenaars aangaat, die hunne oudheid tot 6000 jaren vóór de schepping uitstrekken, hun gesnap is reeds door alle ongewijde schrijvers bespot geweest. Zie .Tosefus tegen Apion.

Voorts blijkt de geloofwaardigheid van Mozes uit zijne oprechtheid. In welk een licht stelt hij zijn eigen stam door de mededeeling van het gruwelstuk van Simeon en Levi, en van de uitspraak van Jakob, Gen. 49 : 5, 0. Ook verzwijgt hij niet het booze gemor van Aüron en Mirjam. Ook geeft hij niet aan zijne zonen, maar aan die van Aiiron het priesterambt.

Daarenboven bevestigden vele en groote wonderen zijne wet en leer. Mozes heeft die wonderen openlijk in de vergaderingen des volks uitgesproken. Als hij gelogen had zouden ze hem tegengesproken hebben, en hem niet verdragen hebben, wanneer hij hen openlijk van ongeloof enz. beschuldigde, terwijl hij er zich op beroemde zijne leer door wonderen bevestigd te hebben.

Sommigen hebben de wonderen van Mozes aan tooverkunsten toegeschreven. Maar blijkens zijne wetten had hij van tooverij een grooten afkeer, en moest zelfs gesteenigd worden al wie toovenaars en waarzeggers raadpleegde. Daarbij, om maar iets

Sluiten