Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Calvijn bewijst nu allereerst de godheid van den Zoon en

van den Heiligen Geest.

Daarna toont hij aan hoe ze van elkander onderscheiden zijn.

I, _ Van het „Woord Gods" wordt ons in de Schrift niet slechts gesproken als van eene vergankelijke, verdwijnende, stem, maar als van een goddelijk persoon, door wiens Geest zoowel de Profeten als de Apostelen gesproken hebben, 1 Petr. 1 : 11. Zoo stelt Mozes, sprekende van de schepping der wereld, het Woord als tusschenkomende voor, Gen. 1 : 1. Dat hier niet slechts aan een gebod of bevel moet gedacht worden, leeren de Apostelen Hebr. 1 : 2. Zie ook Spreuken 8 : 22, waar Salomo de wijsheid invoert als van God vóór de eeuwen geboren, en als voorzittende over de schepping der dingen en over alle werken Gods. Zie ook vooral Joh. 5 : 17 en 1 : 3. Gelijk dan alle openbaringen, die van God zijn voortgekomen, terecht worden aangeduid onder den naam van Woord Gods, zoo behooren wij het zelfstandige woord op den hoogsten trap te plaatsen, als de bron van alle woorden Gods, en, aan geene verandering onderworpen, eeuwiglijk bij God en zelf God.

Sommigen zeggen dat Hij eerst begonnen is het Woord te zijn, toen God bij de schepping der wereld zijnen heiligen mond heeft geopend. Doch dit zou wezen eene verandering of vernieuwing in het wezen Gods, in strijd met Jac. 1 . 17. En dat het Woord bij de Schepping begon geopenbaard te worden zegt niet, dat het te voren niet bestond. Het bestond van eeuwigheid, Joh. 17 : 5, „vóór de grondlegging der wereld."

Hier komen ook te pas de getuigenissen voor de godheid van Christus. Zie Ps. 45, „uw troon, o God" enz. Jes. 5> : 6, „sterke God" enz. Vooral Jes. 23 : «, „Jehova, onze gerechtigheid," zal de Spruit van David heeten.

Voorts is dit een krachtig bewijs, dat Jehova zoo dikwijls voorgesteld wordt onder den naam van een Engel; zie llicht. (5, 7 en 13. Uit alles is duidelijk dat die Engel door Manoach voor Jehova erkend wordt, gelijk Hij er Zichzelven ook voor houdt. De rechtzinnige leeraars verklaren, dat die Engel, die reeds toen, als door een voorspel, het ambt van Middelaar begon te bedienen, het Woord Gods was. Reeds toen, hoewel nog niet vleesch geworden, heeft Hij op eene meer gemeenzame

Sluiten