Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De woorden Vader, Zoon en H. Geest zijn niet bloote bijnamen, zij geven eene ware onderscheiding te kennen, doch

niet eene verdeeling.

De Zoon is door eene bijzondere eigenschap van den Vader onderscheiden. ,/Het Woord was bij God." «Ik had heerlijkheid bij den Vader." „Een ander is het, die van Mij getuigt.^ „De Vader heeft alle dingen door het Woord geschapen. Niet de Vader, maar de Zoon is nedergedaald, gestorven enz. Deze onderscheiding was er reeds vóór zijne vleeschwording, daar Hij in den schoot des Vaders was en heerlijkheid bij Hem had.

Wat den H. Geest betreft — Hij gaat uit van den Vader, en is dus van den Vader onderscheiden. Christus noemt den H. Geest een anderen Trooster; Hij is dus ook van den Zoon onderscheiden.

Calvijn durft in deze zaak geene gelijkenissen aan menschelijke zaken ontleenen. 't Zou laster en dwaling kunnen bevorderen. Maar wat de Schrift van deze onderscheiding zegt moet erkend

worden nl. deze drie zaken :

1. Aan den Vader wordt toegeschreven het begin van werken, en de bron of fontein van alle dingen.

2. Aan den Zoon de wijsheid, de raad en de bedeeling in de dingen die gewrocht zullen worden.

3. Aan den Geest de kracht en de uitvoering van het werk. Evenwel is de eeuwigheid des Vaders ook die des Zoons en

des Geestes, en is er in de eeuwigheid geen eerder of later. Toch is de orde niet ijdel. Het verstand van iedereen helt reeds vanzelf daartoe over, dat het eerst God opmerkt, daarna de Wijsheid, die uit hem voortvloeit, en ten laatste zijne kracht, waardoor Hij de besluiten van zijn raad uitvoert. Om die reden wordt de Zoon gezegd van den Vader te zijn, en de Geest tegelijk van den Vader en den Zoon. Zie Rom. 8: 9 en 2 Petr. 1 : 21 (de Geest van Christus — de Geest van Hein die Christus opgewekt heeft — de Geest van Christus in de pioleten.)

Deze onderscheiding doet echter volstrekt niet aan de Eenheid Gods te kort. In iederen persoon wordt de geheele natuur begrepen met hetgeen als eigenschap aan denzelven toebehoort,

Joh. 14: 10 vv.

Om het kortelijk te zeggen tot onderrichting der eenvoudigen : Als wij belijden te gelooven in God, in éénen God, verstaan

Sluiten