Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten wij in de wedergeboorte naar het beeld Gods veranderd worden. Ef. 4 : 24; Coll. 3 : 10. Uit deze plaatsen blijkt, dat in den beginne het beeld Gods bestond in het licht des verstands, in rechtheid des harten, en in de goedheid van alle deelen. Zie ook 2 Cor. 3 : 18.

Onder het beeld Gods wordt dus begrepen hetgeen tot het geestelijke en eeuwige leven behoort. Dit beeld, schromelijk verminkt in alle natuurlijke menschen, wordt ten deele gezien in de uitverkorenen, voor zoover ze wedergeboren zijn, en zal volmaakt wezen in den hemel.

De Manicheën (en in navolging van hen Servet) beweerden dat de ziel een afzetsel is van het Wezen Gods, zoodat eenig deel der oneindige Godheid in den mensch was ingevloeid. Calvijn noemt dit eene duivelsche dwaling, die vele ongerijmdheden met zich sleept. Waaraan is de natuur Gods dan niet al onderhevig! (verandering, lijden, onwetendheid, kwade begeerlijkheden, enz.) In Hand. 17 : 28, ,,wij zijn Gods geslacht," bedoelt de Apostel niet een gelijkheid in wezen, maar in hoedanigheid (goddelijke gaven). De zielen zijn zoowel als de engelen geschapen, d. i. uit niet geformeerd. De mensch is Gode gelijkvormig geweest, niet door eene invloeiing van zijn Wezen, maar door de genade en kracht van den Geest (2 Cor. 3 : 18), die zoo in ons werkt, dat Hij ons der goddelijke natuur deelachtig maakt.

Het zou dwaas wezen eene beschrijving van de ziel te ontleenen aan de wijsgeeren, van welke bijna niemand, Plato uitgezonderd, duidelijk beweert, dat de ziel een onsterfelijk wezen is. Volgens de Schrift is zij ,/een onlichamelijk wezen, dat, schoon eigenlijk in geen plaats besloten, echter in het lichaam ais in een huis woont, niet alleen om deszelfs deelen leven te geven, en de leden bekwaam en dienstig te maken tot hunne verrichtingen, maar ook om de oppermacht te hebben in de regeering van 's menschen leven; en niet alleen met betrekking tot de verrichtingen des aardschen levens, maar om hem ook tevens op te wekken om God te dienen." Van dit laatste zijn nog sporen merkbaar in den staat der verdorvenheid : een zaad van godsdienst, als blijk zijner oorspronkelijke bestemming.

Aangaande de vermogens der ziel wil Calvijn slechts eene

Sluiten