Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tweede Boek.

OVER DE KENNIS VAN GOD DEN VADER IN CHRISTUS.

HOOFDSTUK I.

Van den val van Adam en de erfzonde.

Terecht is door de ouden de kennis van zichzelven den inensch aangeprezen, doch met geen ander doel en strekking dan om hem zijne voortreffelijkheid te doen gevoelen en hoogmoedig te maken. Geen wonder dan ook dat zij, die de voortreffelijkheden van 's menschen natuur het meest uitgebazuind hebben, 't meest werden toegejuicht; immers eigenliefde en hoogmoed jeuken den inensch in merg en bloed. Zulk eene leer leidt den mensch echter ten verderve.

De ware zelfkennis is hierin gelegen, dat wij opmerken wat God in onzen oorspronkelijken staat ons geschonken heeft, en in wat ellendigen staat wij gevallen zijn. Deze kennis strekt tot diepe verootmoediging, en om met nieuwen ijver God te zoeken ten einde het verlorene weder te erlangen.

Welke zonde is door Adain in zijn val bedreven? Blijkens de gevolgen was zij niet gering. En wat haar aard betreft, de wortel van den afval was : ongeloof (omtrent Gods Woord) — en daaruit kwam voort eerzucht, hoogmoed, ondankbaarheid, ongehoorzaamheid enz. Het was eene schandelijke versmading van God, daar de mensch des satans lasteringen onderschreef en Gods woord en gebod verwierp.

Adam heeft niet alleen zichzelven, maar ook heel zijn geslacht verdorven. Calvijn vindt dit niets vreemd, aangezien toch naar alle zijden de vloek uit zijne misdaad is voortgevloeid, en de

Sluiten