Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want hun geheele natuur is volstrekt hatelijk en vertbeiclijk voor God. De verdorvenheid onzer natuur wordt door Hem voor zonde gehouden, anders zou er van straf geen sprake kunnen zijn.

Die verkeerdheid nu is in ons nooit stil, inaar brengt gedurig nieuwe vruchten voort : werken des vleesches. Calvijn gebruikt het beeld van een ontstoken haard, die gedurig vlam en vonken uitblaast, en van een wel die zonder ophouden water opwerpt.

Deze verdorvenheid is ook tot alle deelen der ziel uitgebreid. Zij is volstrekt niet alleen tot de zinnelijkheid te betrekken. (P. Lombardus). Want met 't woord „vleesch" stelt Paulus de gansche natuur tegenover de bovennatuurlijke genade. Hij zegt ook dat het verstand der blindheid, het hart der boosheid onderworpen is. Hom. 3. „Vleeseh" en „geest" worden tegenover elkafir gesteld, en door 't laatste wordt niet slechts verstaan eene verbetering van het mindere of zinnelijke deel der ziel, maar het behelst de volle vernieuwing van alle deelen. Ef. 4 : 23; Rom. 12 : 2. Zie ook Rom. 8 : 7.

Het is dus onbetamelijk Gode de schuld te geven van de zonde. Ons verderf komt van de schuld onzes vleesches; om geen andere reden zijn wij verloren gegaan, dan omdat wij van onzen eersten staat zijn ontaard.

Maar waarom heeft God Adams val niet verhinderd ? Dit te vragen is vermetele nieuwsgierigheid, en behoort ook tot de verborgenheid der voorverordineering. Wij hebben niet over God, maar over onszelven te klagen, Pred. 7 : 29.

Deze verdorvenheid is dus een bijkomende hoedanigheid, niet eene wezenlijke eigenschap der menschelijke natuur. Wel heet ze soms „natuurlijk" (Ef. 2: 3 „van nature kinderen des toorns") — doch alleen wijl ze erfelijk ons allen eigen is.

HOOFDSTUK II.

De mensch van den vrijen wil beroofd en der dienstbaarheid

onderworpen.

Het vraagstuk ot de mensch van zijne vrijheid al dan niet iets heeft overgehouden, moet behandeld worden met vermijding van een tweetal klippen. Immers, wordt den mensch alle

4

Sluiten