Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van liet zinnelijke deel bedorven zijnde, een geheel ongeschondene rede bezit, en ook voor het grootste gedeelte zulk een wil. De Latijnen gebruikten 't woord liberum arbitrium „vrije wil," de Grieken spraken van avrë'ovoioi — „die macht over zichzelven heeft."

Weinigen hebben 't begrip „vrije wil" omschreven. Origenes' definitie geeft wel het algemeene gevof' * terug: „een vermogen van de Rede om goed en kwaad te onderscheiden, en van den wil 0m beide te verkiezen." Of men heeft zijn bijval aan Augustinus geschonken: ,,'t is een vermogen van de Kede en den wil, waardoor het goede verkozen wordt als de genade bijstand biedt, en het kwade als zij zich onttrekt."

Hoeveel schrijven zij nu aan de Rede en den wil toe? De middelmatige dingen, die tot het Koninkrijk Gods in geene betrekking staan, stellen ze gewoonlijk onder het vrije goedvinden van den inensch ; maar de ware gerechtigheid brengen ze tot de bijzondere genade Gods en de wedergeboorte. Maar daarbij is het nog de vraag of de mensch geheel en al van het vermogen om goed te doen beroofd is, dan wel of hij nog eenig vermogen, hoe klein en zwak ook, heeft, hetgeen door zichzelven wel niets kan, maar door genade geholpen ook deszelfs aandeel in het werk heeft. Zeis de meer zuivere leeraars houden hier 't pad niet recht, en gebruiken onjuiste uitdrukkingen. Ook zijn ze (behalve Augustinus) in dit stuk lang niet bepaald genoeg; zij gaan nu eens dezen dan eens genen kant uit. Tot veel misverstand gaf ook aanleiding het woord „vrije wil" zelf, dat door sommigen zoo verstaan werd, dat hel geen vrije wil meer kon heeten, terwijl het anderen eene oorzaak van dwaling werd. 'tWare goed dit woord af te schaffen.

Calvijn wil nu alle godvruchtige zielen de vaste lijnen deiwaarheid eenvoudig voorstellen. Hij begint met te zeggen, dat er geen gevaar bestaat, dat de mensch zich te veel zal ontnemen, zoo hij slechts leert, dat in God moet worden gezocht hetgeen hem ontbreekt. Te veel aan zichzelven toe te schrijven is daarentegen een gevaarlijke raad van den verleider. De Schrift maant van elk ijdel vertrouwen ons af. Jer. 17 : 5; Ps. 147 : 10; Jes. 40 : 29 Vv. in verband met Jak. 4 : (>. Zij leert ons ook, dat alleen zij Gods zegeningen ontvangen, die hun eigen armoede gevoelen, .les. 44 : 3; 55 : 1.

Sluiten