Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den dieren eigen, .la zelfs in de metalen en gesteenten wordt de geneigdheid waar genomen 0111 het wezen tot volkomenheid te brengen.

Origenes en sommige andere oudvaders, en in navolging van deze de Scholastieken, hebben dit gevoelen voorgestaan : „de ziel heeft wel eenig vermogen om naar het goede te trachten, maar liet is te zwak om tot eene vaste gezindheid te gedijen ; alzoo is de genade Gods noodig om daadwerkelijk te kunnen willen." Zij bevestigen dit met een beroep op Rom. 7 :15,19 „Het goede dat ik wil doe ik niet, enz." Doch alzoo verdraait men de redeneering van den Apostel. Hij spreekt daar niet van den natuurlijken mensch, maar van den strijd tusschen geest en vleesch in den geloovige. Vooral uit de vss. 17 en 22 is dit duidelijk; daar komen uitdrukkingen voor, die onmogelijk van een onwedergeborene kunnen gezegd worden.

Dat de mensch zonder de genade geringe maar toch eenige bewegingen tot het goede in zich heeft, strijdt ook met 2 Cor. 3 : 5 ,/onbekwaam om iets te denken ...." Gen. 8 : 21 „het gedichtsel ...." Joh. 8 : 34 „Die de zonde doet is een dienstknecht der zonde." Indien de geheele mensch onder de heerschappij der zonde ligt, dan niet het minst de wil. Kil. 2 :13. „God werkt het willen en het werken ...." Er gaat dus niet eenige wil des inenschen vóór de genade. Zelfs de begeerten tot bidden als in Ps. 119 : 18 en Ps. 51 : 12 komen van God.

Wij zeggen ten slotte met Augustinus: „al het goede, dat gij hebt is van God, al het kwade van uzelven. Niets is van onszei ven dan de zonde."

HOOFDSTUK III.

Uit de verdorven natuur des menschen komt niets voort dan wat verdoemelijk is.

Allereerst voert Calvijn hiervoor aan Joh. 3 : (5 „Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch," en Rom 8 : (5, 7 „Het bedenken des vleesches is de dood — immers het is vijandschap tegen God." Zoo verkeerd is dus het vleesch, dat het krijg voert tegen God, immers tegen zijne goddelijke wet. Het woord

Sluiten