Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Velen nieenen, dat God den wil roert, zoodat hel daarna aan onze keur zou staan, om die roering óf op te volgen óf te wederstaan. Dit is niet alzoo. God werkt krachtdadig. Ten onrechte zegt Chrysostomus : „Hij trekt dien, die getrokken wil zijn." Niet slechts de genadegaven van een goeden wil wordt ons aangeboden, neen, 't willen zelf wordt gewrocht, Kil. 2 : 13. Het wandelen in zijne geboden wordt niet slechts mogelijk gemaakt, Ezech. 11 : 19; 3(5 : 27. Niet door onzen wil, maar door z'ichzelce is de genade krachtig, Joh. li : 45.

Deze genade is niet algemeen. Ten onrechte zegt Occam : „Zij wordt niemand geweigerd, die zooveel doet als hij kan."

Men moet den menschen wel leeren, dat de goedertierenheid Gods wordt voorgesteld aan allen, zonder onderscheid, die dezelve zoeken; maar daar zij eerst beginnen te zoeken, dien het de henielsche genade heeft ingegeven, zoo had men wel dit deeltje van zijnen lof niet behooren te verkorten. Terecht heeft Augustinus gezegd: „De natuur is allen gemeen, de genade niet."

Gok de volharding is eene genadegave. Eene snoodè dwaling is het die aan 's menschen verdienste toe te schrijven, naar mate een iegenlijk zich jegens de eerste genade gehouden heeft. Men wijst op uitspraken als Matth. 25 : 21, 23, 25»; Luk. 1!» : 17, 26. „Die heeft, dien zal gegeven worden ..." „Over weinig zijt gij getrouw geweest...." Calvijn erkent, dat de geloovigen dezen zegen Gods mogen en moeten verwachten, dat, hoe beter zij de voorgaande genadeweldaden zullen gebruikt hebben zij voor het toekomstige met overvloediger gaven zullen worden voorzien — maar hij wil hier van vergelding niet gesproken hebben. Want deze twee dingen staan vast: 1. ook dat rechte gebruik is van den Heere, 2. die vergelding is eene onverdiende genade Gods. Het is dus meer een zegen dan eene vergelding.

Voorts is de onderscheiding van werkende en medewerkende genade een allerverdert'elijkste dwaling. Wel heeft Augustinus die onderscheiding gebezigd, doch aldus omschreven : dat God door medewerking volbrengt, hetgeen Hij door te werken begint; dat het dezelfde genade is, enz. Zoo ook Paulus in Fil. 2:13 „Het willen en het werken naar zijn nelbehagen." Wel is er gewilligheid en vaardigheidom te gehoorzamen, in de begenadig-

Sluiten