Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus geleid. Ofschoon er dagelijksch nieuwe offeranden moesten gebracht worden, beloofden de profeten een eenig zoenoffer, Jes. 53 : 5 ; Dan. 9 : '2(5, 27. Ofschoon er priesters waren, werd de priester naar Melchizedeks ordening voorspeld, Ps. 110 : 4. Ook voorspelde Daniël eene niet uitwendige zalving. Zie voorts Hebr. 4—11 waar Paulus betoogt: zonder Christus zijn de ceremoniën ijdel en nietig. „Christus is het einde deiwet, tot zaligheid een iegelijk, die gelooft," Rom. 10 : 4. „Christus is de Geest, die de doodende letter levend maakt," 2 Cor. 3:0; Gal. 3 : 19. Zulke teksten zijn ook van toepassing op de tien geboden.

Calvijn maakt hier de opmerking, dat Paulus, tengevolge van het drijven der werkheilige leeraars, soms gedwongen werd de wet bloot op zichzelve te nemen, die echter anders met het verbond der genadige aanneming bekleed is.

Wat voorts de zedelijke wet in 't bijzonder betreft, wij worden door haar van schuld overtuigd en opgewekt om naar vergeving uit te zien. De volmaakte gerechtigheid, op welke nog het loon des levens staat, wordt in de wet ons voorgehouden. Doch niemand kan die in de verste verte volbrengen, en alzoo treft ons de vloek, die tegenover de belofte gesteld is, Deut. 30:19. Wat ten leven was, wordt alzoo ten doode.

Hare onderhouding is onmogelijk. Dit betoogt Calvijn kortelijk tegenover Hieronymus e.a. 1 Kon. 8 : 46; Ps. 143 : 2; Gal. 5 : 17 j 3 : 10. „Die onder de wet zijn, zijn onder den vloek" - dus niemand onderhoudt haar.

Er is drieërlei ambt of gebruik der zedelijke wet.

1. Ze wijst de gerechtigheid aan, die voor God bestaan kan, overtuigt van ongerechtigheid en veroordeelt deswege allen.

De ontzettende eigenliefde en liet dolzinnig steunen op eigen krachten, wordt door eene rechte beschouwing van de volmaakte wet beschaamd, gefnuikt. Evenzoo's menschen opgeblazenheid, daar de wet hem toont hoever hij van de volmaakte heiligheid at is, Rom. 7:7. De wet is alzoo gelijk aan een spiegel, in welken wij onze onmacht, ongerechtigheid, vervloeking gewaar worden, Rom. 3 : 20; 5 : 20; 4 : 15; 2 Cor. 3 : 7. Dat is haar werk in de weergeborenen. Terecht zegt Augustinus: „indien ergens de Geest der genade niet is, daar is de wet alleen tegenwoordig om schuldig te verklaren en te dooden."

Sluiten