Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2c. Het verbond, waardoor zij niet den Heere verzoend waren, was gegrond, niet op hunne verdiensten, maar alleen op de barmhartigheid Gods.

3e. Zij hebben gekend den Middelaar Christus, door wien zij met God vereenigd, en zijne beloften deelachtig zouden worden.

Vooral op het eerste punt dient gelet, wijl het allereerst tegengesproken wordt. Calvijn wijst o.a. op Rom 1 : 2 ('t Evangelie door de profeten toegezegd), Rom. 3 : 21 (getuigenis van wet en profeten). En 't Evangelie wijst toch op de hoop deionsterfelijkheid. Ook wijst 't Evangelie alleen op Gods goedertierenheid en loopt uit op Christus. Van welk Evangelie de vaderen onder het O. T. blijkbaar niet vreemd geweest zijn. Zie ook Joh. 8 : 5(J; Hebr. 13 : 8; Luk. 1 : 54, 72.

Ja, niet alleen ten opzichte van het verbond maakt de Apostel de Israëlieten aan ons gelijk, maar ook met betrekking tot de Sacramenten. 1 Cor. 10 : 1—11. Oud-Israël had, zegt Paulus, dezelfde zegelteekenen van Gods genade als wij — ja, „zij hebben ook dezelfde geestelijke spijs gegeten enz." Waartegen Joh. G : 31 volstrekt niet strijdt (Jezus wijst alleen op de vleeschelijke gezindheid des volks, niet op de bedoeling Gods omtrent het manna, als afbeelding van de geestelijke levendmaking in Christus).

Dat in de woorden des verbonds : „Ik ben uw God, gij mijn volk," niet alleen lichamelijk heil en aardseh geluk begrepen is, bewijst de eenstemmige verklaring der profeten, Ps. 144 :15; 33 : 12 ; Hab. 1 : 12 ; Jer. 33 : 21 enz. Voorts beloofde de Heere „altijd" voor hen een God te zullen zijn, en ook voor hun /r/zaad", zelfs tot in duizend geslachten, Gen. 17:7; Exod. 20 : 6 — zoodat, al stierven de vaderen, Hij toch hun God bleef, gelijk Hij Zich noemt „den God van Abraham, Izaiik en Jakob," Exod. 3 : 0 vgl. Matth. 22 : 32 ; Luk. 20 : 37. Want God is niet gelijk aan de menschen, die hunne liefde tot de kinderen hunner vrienden daarom overbrengen, omdat zij vanwege den dood de vrienden niet meer kunnen bereiken. Ook is Hij niet de God van hen, die niet zijn.

Voorts zijn de geloovigen onder het O. T. door den Heere zoo onderwezen, dat zij gevoelden dat elders een beter leven hen wachtte, en dat zij bijzonder daarop hunne aandacht vestig-

Sluiten