Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus zou bij een ware menschwording ook aan de algemeene wet der zondigheid niet zijn ontkomen ; of het moest wezen, dat het zaad eener vrouw niet en dat van een man wel onrein is. (Christus is geheiligd door den Geest, en dientengevolge vrij van alle smet. Ook is de voortteling niet co ispo maar per accidens onrein).

Maar zou God dan in den engen kerker van het aardsche lichaam besloten geweest zijn ? (In en toch ook buiten dat lichaam)

Deze en dergelijke beweringen der bovengenoemde ketters wederlegt Calvijn van stuk tot stuk.

HOOFDSTUK XIV.

Twee naturen in eenigheid des persoons.

Gods Zoon is mensch geworden niet door vermenging der zelfstandigheid, maar in eenigheid des Persoons. De Godheid is zoo met de menschheid samengevoegd en vereenigd, dat iedere natuur hare eigenschap volkomen behoudt, en dat nochtans uit die twee één Christus wordt daargesteld. Eenigszins kan dit vergeleken worden met de vereeniging van ziel en lichaam tot éénen mensch.

Tengevolge dezer persoonlijke vereeniging, komen velerlei eigenaardige spreekwijzen voor. I. Den persoon worden dingen toegeëigend, die óf bijzonder der menschheid, óf bijzonder der Godheid eigen zijn. B.v. Joh. 8 : 58, //Eer Abraham werd, ben Ik ; Coll. 1 : 15; Joh. 17 : 5; 5 : 17. In deze teksten worden eigenschappen der goddelijke natuur aan den Persoon toegeschreven. In andere plaatsen, Jes. 42 : 1, „dienstknecht";

Joh. 8 : 50; Mark. 13 : 32; „van die ure weet de Zoon

niet ; Joh. 14 : 10; (> :38; Luk. 24 : 39, „vleesch en beenen"; 0zichtbaar en //tastbaar — worden eigenschappen der menschelijke natuur den Persoon toegekend. II. Aan de eene natuur wordt zelfs toegekend wat eigenlijk aan de andere behoort. Hand. 22 : 28, „Gods bloed"; 1 Cor. 2 : 8, „de Heer der heerlijkheid gekruisigd"; 1 Joh. 1 : 1, ,/t Woord des levens getast"; Joh. 3 : 13, „de Zoon des menschen is in den hemel

7

Sluiten