Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der gekende zaken (2 Cor. 5 : (1) is evenwel deze kennis meer in verzekerdheid dan in begrijpen gelegen; zij is m. a. vv. eene zeer gewisse overtuiging.

Het geloof is niet tevreden met eene duistere, verwarde gedachte, maar vereischt eene volle, bepaalde zekerheid. Daarom komt de H. Geest gedurig met zeer krachtige bevestigingen van Gods waarachtigheid en belofte, I's. 12 : 7 j 18 : 31; Spr. 30 : 5 en geheel Ps. 119. Daarin ligt tevens een zijdelingsch verwijt omtrent onze ongeloovigheid, welke ziekte God genezen wil, ten einde bij ons volkomen geloof te verkrijgen. Ook blijven zeer velen maar halverwege staan, door de goedertierenheid Gods tot anderen te beperken en omtrent zichzelven in twijfel te trekken. Wat troost hebben die? Zij besluiten de goedertierenheid Gods binnen te enge grenzen. Geheel anders is 't gevoel van de zekere kennis, die in de Schriften altijd aan het geloof wordt toegeschreven n.l. zulk eene, die de goedheid Gods, ons duidelijk voorgesteld, buiten twijfel stelt. Vandaar ook worden geloof — vertrouwen — vrijmoedigheid uit elkander afgeleid, Ef. 3 : 12 „In welken wij hebben vrijmoedigheid, enz." Met welke woorden de Apostel toont, dat wij geen oprecht geloof hebben, tenzij wij ons met geruste gemoederen durven stellen voor het aanschijn Gods. Deze vrijmoedigheid nu komt alleen voort uit een vast vertrouwen op de Goddelijke goedgunstigheid. Geloof wordt dan ook dikwijls voor vertrouwen genomen.

Hierin is dus vooral 't geloof gelegen, — niet dat wij denken, dat de beloften van Gods barmhartigheid waar zijn buiten ons doch geenszins in ons, — maar dat wij die veeleer inwendig omhelzen en tot de onze maken. Eerst hieruit ontstaat de vrede des harten d. i. de gerustheid, die het geweten voor Gods oordeel stil maakt en vervroolijkt. Hebr. 3: 14; Rom. 8: 38; Ef. 1 : 18. c. a. p.

Hiertegen rijzen bedenkingen. De ervaring der geloovigen, zegt men, is geheel anders. Hoeveel onrust en onzekerheid vaak, hoe groote verschrikkingen soms ! ... Hoewel het geloof zeker en gerust moet zijn, neemt dit toch niet weg, dat de geloovigen een gedurigen strijd hebben met hun eigen mistrouwen, waaruit twijfelingen, bekommeringen, enz. voortkomen. Toch ontkennen wij aan den anderen kant, dat zij dat zekere ver-

8

Sluiten