Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijsheid is, noch hoe groot de mensehelijke botheid is; ook letten ze niet op de zekerheid, welke het geloof eigen is.

De werking des H. Geestes is noodzakelijk tot liet geloof.

I. Wat het verstand aangaat. Matth. 11 : 25; Luk. 10:21; Matth. 1(5 : 17; 1 Cor. 2 : 14. Alle mensehelijke scherpzinnigheid schiet in deze zoo zeer te kort, dat de eerste trap om in de school des Heeren te vorderen is, van ons eigen vernuft afstand te doen. Alleen door den Geest kennen wij den zin van Christus. Door den Vader moeten wij getrokken worden en onderwezen, Joh. (5 : 44 vv. De ziel door Hem verlicht, verkrijgt als eene nieuwe scherpzinnigheid, waarmede zij de hemelsche verborgenheden beschouwt, proeft en smaakt. Luk. 24 : 27, 45, (Emmaüsgangers), Joh. 16 : 13, (de discipelen, ofschoon door Jezus' inond onderwezen, hadden den Geest der waarheid noodig). Calvijn gebruikt hier het beeld van de zon, die blinden beschijnt, welke door den Geest het gezicht moeten ontvangen. Voorts bespreekt hij nog 2 Cor. 4 : 13 (de //Geest des geloofs"), 2 Thess. 1 : 11 („het werk des geloofs" — „naar zijn welbehagen" — „met kracht"), 1 Cor. 2 : 4 — en verwijst naar het hoofdstuk van de verdorvenheid der natuur.

God begiftigt met die gave des geloofs niet allen, maar die Hij wil. Hierdoor komt de treü'elijkheid der gave nog meer uit.

II. JVat het hart betreft. Daartoe is niet minder de kracht des Geestes noodig. Het mistrouwen des harten is nog grooter dan de blindheid des verstands. Het is nog moeilijker het hart gerust te stellen, dan het verstand met kennis te voorzien. Het Woord Gods moet niet slechts in de hersenen omzweven, maar in den grond des harten geworteld zijn. Dan zal het zijn eene onoverwinnelijke borstwering tegen alle aanvechtingen. Daarom doet de Geest het werk van een „zegel," om in onze harten dezelfde beloften te verzegelen, wier zekerheid Hij eerst in onze verstanden heeft ingedrukt. Ook is Hij een „pand," Ef. 1 : 13; 2 Cor. 1 : 21 ; 2 Cor. 5 : 5. Dit neemt echter niet weg, dat het geloof vaak door onderscheidene twijfelingen geslingerd wordt, en de gemoederen der godvruchtigen niet altijd even gerust zijn (zie boven). Toch moeten ze daarnaar altijd staan. Ps. 40 : 3; 3 : (5; Jes. 30 : 15; Ps. 37 : 7; Hebr. 10 : 3(5. Uit deze plaatsen blijkt een bijzondere vrede des geinoeds, waartoe wij ook opgewekt worden.

Sluiten