Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er beslaat eene verderfelijke dwaling der Scholastici, n.1. dat wij van de genade Gods jegens ons niet anders kunnen oordeelen dan bij gissing uit onze zedelijke daden. Geloof en gissing strijden. Het geloof inoet zien op de eenvoudige en onverdiende belofte, en zoo wordt er geen plaats voor twijtel overgelaten. Hun beroep op Pred. 9 : 1 b „ook liefde, ook haat, weet de mensch niet uit al hetgeen voor zijn aangezicht is" beteekent niets. Vergeleken met hfdst. 3 : 19 wil het zeggen: „uit het stoffelijk aanzien der tegenwoordige dingen kunnen wij geen zekerheid van Gods genade verkrijgen." Ook beweren zij, dat het eene lichtvaardige vermetelheid is, zichzelven eene ontwijfelbare kennis van den goddelijken wil toe te schrijven. Doch wij schrijven dit niet toe aan ons verstand, maar aan des Geestes onderwijs. Ook is het, volgens hen, lichtvaardig zoo te roemen van den Geest van Christus. Deze bewering getuigt van groote onwetendheid in de eerste beginselen van den godsdienst. Hom. 8 : 9, 14, 16. Zij verdichten een Christendom, dat den Geest van Christus niet noodig heeft. In elk geval, zeggen zij, moeten wij dat zedigheidshalve niet uitspreken. Maar volgens 2 Cor. 13 : 5 en 1 Joh. 3 : 24 is een iegelijk, die niet bekent, dat Jezus Christus in hem woont, een verworpeling, en is het betwijfelen van de tegenwoordigheid des H. Geestes in zijne dienstknechten hetzelfde als de belofte van Christus in twijfel trekken. Nog op eene andere wijze ondermijnen zij de vastigheid des geloofs. Voor het tegenwoordige moge men zeker zijn van de genade Gods uit den staat onzer gerechtigheid, toch kan men daarvan niet voor altijd verzekerd wezen. Gansch anders spreekt Paulus in Itom. 8 : 28: „Ik ben verzekerd dat noch dood noch leven .... ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods in Christus." En hij spreekt daar van de goederen, die niet hem bijzonder, maar allen geloovigen in 't gemeen uit het geloof toekomen. Trouwens het geloof strekt zich uit tot de toekomstige heerlijkheid en is dus niet tot het heden beperkt. Eene vermaning als 1 Cor. 10 : 12 „die staat, zie toe . . . ." dient niet om ons terneder te slaan, maar ons te vernederen en voorzichtig te maken.

Maar strijdt de bovengenoemde definitie des geloofs niet met de beschrijving Hebr. 11 : 1 „vaste grond der dingen die men hoopt, bewijs der zaken die men niet ziet ?" Calvijn toont aan

Sluiten