Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leer is een pijnbank der zielen, die niet op hunne bekommering ot' tranen, maar met beide oogen op de barmhartigheid Gods behooren te zien.

Belijdenis of Biecht. Hieromtrent is strijd tusschen de C'anonisten, die beweren dat de biecht voorgeschreven is door de instelling der Kerk, en de Scholastieken, die verklaren : de biecht is door goddelijk bevel geboden, of: wat haar wezen aangaat is zij voortgekomen uit het goddelijke recht, naderhand heeft zij haar vorm ontvangen van het menschelijke recht. Heiden echter achten de biecht noodig.

Bewijzen voor de Biecht:

De Heere Jezus zond de melaatschen tot de priesters. (Niet. om te biechten, maar den Joden tot een getuigenis).

De Heere gebood zijnen discipelen Lazarus van de grafdoeken te ontdoen en los te maken. (Vooreerst lezen wij daar niets van. Ten tweede zal Jezus dat de Joden wel hebben laten doen. Ten derde wendt Calvijn de allegorie heel anders aan, doch erkent toch dat door allegorieën een leerstuk niet bevestigd wordt).

Matth. 3 : ti //Zij kwamen tot Johannes en beleden hunne zonden." (Natuurlijk ! Opdat zij gedoopt zouden worden).

Jak. 5 : 16 //Belijdt elkander uwe zonden en bidt voor elkander." (Elkander d. i. onderling, wederkeerig, beurtelings, over en weêr. Ook wordt het niet met absolutie, maar met voorbede verbonden).

Het gebruik der biecht is wel zeer oud, doch was vrij. Vóór Innocentius III (13<l« eeuw) bestond er geen bepaalde wet of verordening. Hij beval : „een ieder van beide seksen zal elk jaar eenmaal aan zijn eigen priester al zijn zonden biechten."

Deze biecht was oorspronkelijk eene burgerlijke tucht door den bisschop ingesteld. Sozoinenus zegt, dat deze zaak in de Westersche kerken (bijzonder Home) onderhouden werd, dat die gewoonte ook te Konstantinopel bestond, doch afgeschaft werd door den godvruchtigen bisschop Nectarius, naar aanleiding van een uit de biecht voortgekomen schandaal. Ook vele uitspraken van Chrysostomus toonen duidelijk, dat volgens hem niemand er toe verbonden was, ja dat er veel tegen is.

Gode hebben wij onze zonden le belijden, daar Hij het is, die de zonden vergeeft, Ps. 32 : 5; 51 : 3; Dan. ü : 5; 1 Joh.

Sluiten