Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods aanschijn niet als een zondaar maar als een rechtvaardige verschijnt.

De rechtvaardiging is dus eenvoudig een genadige aanneming, waardoor God ons in genade ontvangt en voor rechtvaardig houdt, ons vergevende onze zonden en toerekenende de gerechtigheid van Christus.

Calvijn beroept zich op de beteekenis van het woord en op vele schriftuurplaatsen, Gal. 3:8; Rom. 3 : 2(5; Hom. 8 : 33; Hand. 13 : 38; Luk. 18 : 14; Epli. 1:5; Roin. 3 : 24; Rom. 4 : 6; 2 Cor. 5 : 18; Rom. 5 : 19.

Hij bestrijdt vooral het gevoelen van Osiander, die eene wezenlijke rechtvaardiging leerde, waarbij het wezen Gods in de menschen overgestort wordt (Manicheën). Osiander beroept zich vooral op onze eenheid met Christus. Maar deze is toch niet van dien aard dat het wezen van Christus met het onze vermengd wordt, of het wezen van den drieëenigen God in ons overgestort. Rechtvaardigen is volgens hem niet alleen een verdiende toerekening, maar ook eene heiligheid en volkomenheid, die het wezen Gods, dat in ons woont, ons inblaast. Hij verwart dus rechtvaardigmaking en heiligmaking, die wel niet gescheiden mogen worden, maar toch onderscheiden zijn. De zon verwarmt en verlicht; beide zaken zijn onafscheiden lijk verbonden en toch onderscheiden. Zie o.a. 1 Cor. 1 : 30.

Als Osiander opmerkt dat het geloof niet door eigen innerlijke kracht rechtvaardigt, dan is dat volkomen juist; immers alleen doordien het Christus aanneemt, rechtvaardigt het ons. 't Geloof is als een vat of pot; niet het vat of de pot, maar wat er in is, nl. Christus, maakt ons rijk.

Dat Christus niet anders onze gerechtigheid kon zijn en zijn Middelaarsambt volbrengen, tenzij hij de eeuwige God ware — is ook juist. Maar niet, dat Christus onze rechtvaardigheid is geworden ten aanzien zijner goddelijke natuur, en niet ten aanzien zijner menschelijke.

Osiander beroept zich vooral ook op Jer. 23 : <5; 33 : 16; „Jehova onze gerechtigheid." Calvijn vergelijkt Jes. 53 : 11. Christus, die waarachtig God is, is ons tot rechtvaardigheid geworden, toen Hij de gestalte van een dienstknecht aangenomen heeft. Hij is onze gerechtigheid als Middelaar.

Maar dit werk gaat des menschen natuur te boven, derhalve

10

Sluiten