Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is het alleen aan de goddelijke natuur toe te schrijven, 't Eerste is wel, het tweede is niet waar. Rom. 5 : 19; 2 Cor. 5 : 18. Wij zijn in Christus gerechtvaardigd ten aanzien dat Hij voor ons een offer van verzoening geworden is, wat Hij niet kon zijn naar zijne goddelijke natuur.

Christus moet wel de onze worden zullen wij deel aan dat goed hebben ; ook wij stellen de samenvoeging van hootd en leden, 't wonen van Christus in onze harten, de mystieke eenheid zeer hoog. Evenwel niet in den zin van Osiander: wezenlijke rechtvaardigheid, wezenlijke inwoning. Voor het tweede beroept Osiander zich op 1 Petr. 1 : 4, „de goddelijke natuur deelachtig." Bij het, eerste bespot hij hen, die leeren dat gerechtvaardigd worden een term is aan de rechtspleging ontleend. Calvijn beroept zich nogmaals op 2 Cor. 5 : 21; Rom. 4:7; Ps. 32 : 1 — alsmede op de onvolkomenheid der heiligheid van Gods kinderen en de noodzakelijkheid eener volkomene gerechtigheid tot bevrediging onzer conscientie, tot de vrijmoedige toenadering, tot de vastigheid der hope. Vergelijk ook Hom. 7 : 24 niet Rom. 8 : 33 vv.: klacht en roemtaal tegelijk.

De rechtvaardigheid des geloofs en die der werken sluiten elkander uit Phil. 3 : 7 „niet mijne gerechtigheid, die ... maar die..." Rom. 10 : 3 „eigene gerechtigheid en gerechtigheid Gods. Rom. 3 : 27 ; 4 : 2.

Dat Paulus alleen werken der wedergeborenen uitsluit, doch niet de geestelijke werken der geloovigen, die gaven van Christus en vruchten der wedergeboorte zijn — is een vergeefsche uitvlucht. Zie vooral wat Rom. 4 : 2 vv. van Abraham getuigd wordt, wiens leven toch geestelijk, ja schier dat van een engel was.

De Scholastieken stellen te veel het werk des Geestes, de wedergeboorte (heiligmaking, enz.) voorop, in plaats van de barmhartigheid Gods in Christus, welke alleen de ontroerde zielen tot rust kan brengen. Zie Lombardus' definitie van rechtvaardigmaking, die van verre Augustinus volgt, wiens uitdrukkingen in deze ook niet immer correct zijn.

De gerechtigheid des geloofs volgens de Schrift beschrijft Calvijn als volgt. Ons van de aanschouwing onzer werken afkeerende slaan wij onze oogen alleen op de barmhartigheid

Sluiten