Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets te zijn — maar dat vertrouwen verdwijnt ras als wij tot God opklimmen. Ons oog schijnt scherp te wezen als het ziet op de voorwerpen beneden, maar als het naar de zon ziet, wat dan ? Luk. 16 : 15; Ps. 143 : 2; Job 9 : 2; 1 Cor. 4 : 4.

De gerechtigheid Gods is dus een zoodanige, aan welke door geen xnenschelijke werken voldaan wordt, en daarom kan ons vertrouwen alleen zijn op de genade Gods in Christus. Dit is niet alleen het oordeel van godvruchtige schrijvers als Augustinus en Rernardus (citaten), maar ook de geoefende gewetens in 't algemeen gevoelen, dat dit het eenige toevluchtsoord deizaligheid is, waarin zij veilig kunnen ademscheppen, wanneer men te doen heeft met het oordeel Gods.

Zelfs de treffelijkste onschuld van den mensch verdwijnt in het gerichte Gods. Dit zal een allertreurigst onderzoek zijn, 1 Cor. 4:5. 't Geweten en de duivel zullen alles voorbrengen. Alle uiterlijke betrachting zonder oprechtheid in den wil is van geene waarde. Naar dezen maatstaf zijn al de werken der menschen niets dan smetten en vuiligheden; hetgeen gewoonlijk voor gerechtigheid gehouden wordt enkel ongerechtigheid.

Wij zijn geneigd onszelven te vleien en te bedriegen, maar tot onze eigene schade, Spr. 21 : 2 ; 16 : 2. Eerst bij het licht van Gods rechterstoel zien wij onze eigenlijke boosheid, Job 15 : 16; 14 : 4; 9 : 20; Jes. 53 : 6, en zullen wij, geheel behoeftig en ontbloot, alleen aan de barmhartigheid Gods plaats geven, Zef. 3 : 11; Jes. 66 : 2; 57 : 15. Wanneer wij ons niet zoo ongeveinsdelijk vernederen, zullen wij tot onze schaamte en schande door God vernederd worden. Een voorbeeld van ware verootmoediging geeft Christus in de gelijkenis van den tarizeër en den Tollenaar, Luk. 18. Zoo moet ons hart geheel ledig zijn van allen waan van eigene waardigheid zal het geopend wezen tot het ontvangen van Gods barmhartigheid. Vergelijk nog Jes. 61 : 1; JVlatth. 11 : 28; 9 : 13.

Behalve dien ijdelen waan moet ook alle zorgeloosheid uit. geschud ! Deze kan ook aanwezig zijn bij hen, die juist geen inbeelding van eigene gerechtigheid hebben. Zij liggen gevoelloos neder. Zij denken niet aan Gods oordeel. Zij zien niet uit naar Gods barmhartigheid, die hun voorgesteld wordt. Ook deze zorgeloosheid is eene vijandin onzer zaligheid; zij belet

Sluiten