Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36 : 26; 2 Tim. 2 : 2o („of Hij hun te eenigen tijd bekeering gave"; Jer. 31 : 18 „Heere, bekeer mij. .

Waar zijn de beloften Gods in het Evangelie dan niet zeer onvast? Neen toch. Aan allen wordt wel de barmhartigheid Gods door het Evangelie voorgesteld — zoodat de goddeloozen zich niet verontschuldigen kunnen, daar zij toch de voorgestelde barmhartigheid verworpen hebben — maar de beloften hebben voor ons eerst dan kracht, als wij ze door het geloof aannemen. En dit geloof is gave Gods.

Matth. 23 : 37 „Hoe menigmaal heb Ik willen . . . doch gij hebt niet gewild." Heeft de Heere niet veel arbeid aan Israël ten koste gelegd .J En hebben zij Hem niet steeds van zich gestooten ? Toch is de raad Gods door hunne boosheid niet verijdeld.

Andere tegenwerpingen bespreekt Calvijn met een enkel woord. B.v.:

„God is toch aller Vader en Weldoener." — Zeker, maar niet ter zaligheid.

„God haat niet één van zijne schepselen."-- De goddeloozen brengen niets voort dan wat hatelijk is in Gods ooo-,

„Er is geen onderscheid tusschen Jood en heiden." — Maar God roept uit beide die Hij wil.

O diepte !

„Wie zijt gij, o mensch, die tegen God antwoordt?"

HOOEDSTUK XXV.

De opstanding ten laatsten dage.

Daar het schijnt alsof de overwinning van Christus ons geen wezenlijke verlossing geschonken heeft, moeten wij vooral in de hoop op de toekomstige opstanding ons oefenen.

Wij hopen de dingen „die niet gezien worden" (Rom. 8 : 25 vgl. Hebr. 11 : 1). Wij „wonen uit van den Heere" zoolang wij in den kerker van dit vleesch zijn ingesloten 2 Cor. 5. //Ons leven is met Christus verborgen in God" ColI. 3 : 3. Wij „verwachten de zalige hoop en toekomst der heerlijkheid" Tit. 2 : 12. Gedurig worden wij ten hemel gewezen 1 Petr.

Sluiten