Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1:8; Coll. 1 : 5. Ons oog moet op Christus zijn, ons hart in liefde tot Hem uitgaande, ons hart bij onzen schat. Hierin zijn echter zoovele en zoo groote beletselen, die wij wel noodig hebben gewend te zijn aan de gedurige overdenking der zalige opstanding.

Plato zegt, dat 's inenschen hoogste goed bestaat in zijne vereeniging met God. Nu dat is waar, wij kennen daar hier reeds iets van, doch strekken ons, gelijk Paulus Fil. 3 : 8, naar het volle genot uit, hetwelk ons eerst in de opstanding zal geworden.

Zelfs de redelooze schepselen strekken er zich onbewust naar uit Rom. 8 : 19. Zij zuchten, zij hijgen naar die toekomst — hoeveel te meer dan wij, die de eerstelingen des Geestes hebben ? Paulus noemt die toekomst „onze verlossing." Ja, hij hecht er zooveel gewicht aan dat, zoo de dooden niet opstaan, 't gansche Evangelie ijdel en bedriegelijk is 1 Cor. 15 : 14 v.v., en wij de ellendigste menschen zijn. Laat ons dan lijdzaam zijn, al duurt het lang !

Ook in deze wordt Christus ons weer als het Hoofd voorgesteld, aan 't welk het geheele lichaam gelijkvormig moet worden. Deze gelijkheid aan Christus en de almacht van God zijn twee zaken, die steun geven aan ons geloof aan de opstanding, welke een dwaasheid is voor het verstand.

Wat het eerste betreft, zie 2 Cor. 4 : '10; 1 Cor. 15 : 13; Ps. 16 : 10; Fil. 3 : 21; Coll. 3 : 4. Christus is opgestaan opdat wij ook deel zouden hebben aan het toekomstige leven. Zijn lichaam kan van Hem, het Hoofd, niet afgescheurd worden. Maar de gelegenheid der tijden is in 's Heeren hand 1 Cor. 15 : 23. Laat ons dan geduldig verbeiden !

De opstanding van Christus nu, waarop de onze gegrond is, is op velerlei wijze bevestigd. De getuigen dier zaak zijn niet te versmaden. En dat Christus zich niet aan zijne vijanden vertoonde, daarvoor bestond genoegzame oorzaak; zij hadden waarlijk genoegzame bewijzen.

In de tweede plaats moeten onze zinnen gericht worden op de oneindige kracht van God Fil. 3 : 2 „naar de werking der sterkte zijner kracht, waardoor . . . ." Wij hebben hier met een onbegrijpelijk wonder te doen, dat alleen door die almacht des Heeren verklaard kan worden. Er zijn allerwege

Sluiten