Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaak zelve. Ook in dit stuk moeten wij de maat van ons verstand niet vergeten. Vele ijdele en schadelijke vragen kunnen in deze gedaan worden. Dit is o. a. zeker dat de maat deiheerlijkheid onderscheiden zal zijn, gelijk ook reeds hier de gaven zijner genade. Welk eene plaats beklemden de Apostelen ! Matth. 19 : 28. De geloovigen zijn hun heerlijkheid en kroon 1 Thess. 2 : 19. Zoo ook de leeraars Dan. 12 : 3 zullen in bijzondere mate blinken. De II. Schrift belooft ook niet alleen het eeuwige leven aan alle geloovigen, maar aan een iegelijk zijn bijzonder loon 2 Tim. 4 : 15; Matth. 19 : 29. In één woord, gelijk Christus de heerlijkheid zijns lichaams door menigerlei verscheidenheid zijner gaven aanvangt, en bij trappen vermeerdert in deze wereld, zoo zal Hij dezelve ook volmaken in den hemel. Doch hoedanig die onderscheidene trappen zullen zijn, weten wij niet.

Sommigen vragen : waartoe de wereld hersteld, daar wij dan toch geen middelen meer noodig hebben? In de zuivere kennis en aanschouwing is ook heerlijkheid. De gebreken der schepping zullen weggenomen zijn. Overigens laten wij ons vergenoegen met den „spiegel in de duistere rede" totdat wij ,/van aangezicht tot aangezicht zullen aanschouwen" 1 Cor. 13.

De schrikkelijkheid van het verderf wordt ons, om dezelfde reden, vaak onder lichamelijke dingen afgebeeld. Bijv. ,/duisternis", „weening", „knersing der tanden", „vuur", „worm". Door zulke uitdrukkingen moeten wij geholpen worden om eenigszins het rampzalig lot der goddeloozen te bevatten. Het verstooten zijn van Gods gemeenschap — het ervaren van zijne verbolgenheid, is wel de hoofdzaak 2 Thess. 1 : 9, terwijl ook alle schepselen hun zullen tegen zijn.

Einde van het derde Boek.

Sluiten