Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen ordinair; de overige kwamen alleen in het begin der Kerk voor, en later nu en dan in geval van nood.

Apostelen. Hunne bediening strekt zich uit over de geheele wereld, Mark. 16 : 15 (,/allen creaturen") vergelijk Rom. 15 : 19, 20. Zij moesten als eerste bouwmeesters de grondslagen der Kerk leggen in de geheele wereld.

/ tofeten. Niet allerlei uitleggers van den goddelijken wil, maar die met eene bijzondere openbaring bevoorrecht waren. Tegenwoordig zijn zulken er niet, of niet zoo bekend.

Evangelisten. Deze waren in waardigheid wel minder dan de Apostelen, doch kwamen, wat hun ambt betreft, hun zeer nabij ; zij traden als 't ware in hunne plaats op. B.v. Lukas, Timotheus, Tilus, — misschien ook de 70 discipelen.

Deze drie komen alleen in den eersten tijd voor. Doch ook soms in de dagen van hervorming om de Kerk van den afval van den Antichrist terug te brengen. Toch zijn ze extra-ordinair, in welgestelde kerken niet voorkomende.

Herders, Leeraars. Calvijn onderscheidt deze twee aldus. Den Leeraars (doctores) is niet aanbevolen: de beoefening der tucht, de bediening der sacramenten, het doen van vermaningen en opwekkingen — maar alleen de uitlegging der H. Schrift, opdat de rechte en gezonde leer onder de geloovigen mocht behouden worden. Den Herders (pastores) is 't eerstgenoemde wel aanbevolen. De Leeraars komen wel eenigszins overeen met de Profeten (except de bijzondere openbaring) — de Herders met de Apostelen.

Hun last is : Het Evangelie te prediken en de sacramenten te bedienen, 1 Cor. 4 : 1 ; 9 :16 ; Tit. 1 : 9. Openbare prediking en bijzondere vermaning, Hand. 20 : 20. Waarbij komt: de bewaring en oefening van de rechte tucht. Wat de Apostelen door de geheele wereld gedaan hebben, behoort ieder Herder aan zijne kudde te doen. Om der orde wil moet ieder Herder zijne eigen gemeente hebben. In elke plaats en stad stelden de Apostelen Opzieners aan. Hand. 14 : 23; Tit. 1:5; Fil. 1:1; Coll. 4:17; Hand. 20 : 18 vv. (opzieners van Filippi — Colosse Efeze). Calvijn acht den Herder zoo gebonden, dat hij niet op eigen gezag mag weggaan, maar het openbaar oordeel van anderen moet afwachten.

In Rom. 12 : 7 en 1 Cor. 12 : 28 maakt de Apostel nog van andere ambten melding, t. w.: krachten, gave der gezond-

Sluiten