Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zulke vergaderingen kon men zich alleen op eene algemeene Kerkvergadering beroepen.

W ïl men dit nu hierarchie noemen — de ouden bedoelden er echter geen heerschappij voering mee, maar wilden bij Gods Woord blijven, dat alle hierarchie verbiedt.

Ad 3. Diakenen. Ook die instelling werd in de oude Kerk zuiver gehouden. Onder toezicht van den bisschop besteedden zij de liefdegaven der gemeente ten bate van de Dienaren en van de armen. Aan hem moesten zij ook rekening en verantwoording doen. Doch de bisschoppen mochten zeiven niet de goederen der Kerk beheeren.

Men had ook «wèdiakenen, die echter spoedig den diakenen gelijk werden. Voorts o^erdiakenen : deze kwamen er, toen de uitbreiding der middelen eene meer bijzondere administratie vereischte; zij hadden het opperbestuur over de middelen. Ze waren er reeds ten tijde van Hieronymus. Ook moesten zij het Evangelie voor het volk lezen en hen tot gebed vermanen, alsmede den drinkbeker bij het Avondmaal overreiken Dit' diende om hun ambt luister bij te zetten en als eene geestelijke betrekking aan te duiden.

Wat de kerkelijke goederen betreft: al wat kerkelijk eigendom was, werd beschouwd als het bijzonder goed der armen. Dit wordt door Synoden en kerkvaders meermalen den bisschoppen en diakenen op het hart gebonden. Ook werden uit die goederen de Dienaren behoorlijk onderhouden. Doch Hieronymus acht dat zij, die zelf geld hebben, niet ontvangen mogen van hetgeen den armen toekomt; dat is kerkroof.

In 't eerst had men geen bepaalde voorschriften in dezen. Later werden zekere „regels" ingevoerd. Naar deze werden de inkomsten der Kerk in vier deelen gesplitst: voor de Kerkdienaars — voor de armen - voor het onderhoud van eeredienst en gebouwen — voor behoeftige vreemdelingen. Deze laatste gelden kregen de bisschoppen ter vergoeding voor het herbergen van vreemdelingen. Zelf mocht hij maar een matig gebruik hebben. Bij uitspatting werd hij door zijne ambtgenooten berispt, ja ontzet.

Eerst had men zeer weinig versiering bij den eeredienst; later meer, doch matig; in elk geval bleef alles het eigendom der armen en in tijden van nood werd liet soms voor de armen

Sluiten