Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De paus van Rome heeft eindelijk zijne hand gelegd op koninkrijken en op het keizerrijk. En hierbij beroept hij zich öf op een goddelijk recht öf op een gift (schenking) van keizer Constantijn. Calvijn wijst op onderscheidene krachtige gezegden van Bernardus, die tegen deze burgerlijke rechtspraak der pausen toornt. En toch heeft de paus zich niet geschaamd op het concilie van Arles te besluiten, dat het hoogste recht van beide zwaarden naar goddelijk recht hem toekomt. — Die gift of schenking van Constantijn is fabuleus en bespottelijk. De geschiedenis dezer zaak nu daargelaten, paus Gregorius zelf is getuige. Zoo dikwijls hij van den keizer spreekt noemt hij hem zijn „Allergenadigste heer" en zichzelven zijn „onwaardige dienaar." Met meer dergelijke aanhalingen bewijst Calvijn hoe dwaas deze leer der Boomschen is aangaande de wereldlijke heerschappij der pausen.

Voor 500 jaren nog stonden de pausen onder de gehoorzaamheid der vorsten, en werd geen Paus verkozen zonder het gezag des keizers. Keizer Hendrik IV gaf aan Gregorius VII gelegenheid dezen staat van zaken te veranderen. Van dien tijd af konden de pausen niet alleen straffeloos het juk der keizers afschudden, maar ook deze zelfs noodzaken om hen te gehoorzamen. Daartoe droeg ook veel bij de slapheid van de keizers. Van toen af hebben de pausen steeds getracht door geweld of list hun macht te vermeerderen. Voor ongeveer 130 jaar hebben ze zich de vrije stad Bome toegeëigend.

Gregorius achtte dat een kerkelijk persoon, die zich, onder een voorgewenden titel, eenig landgoed toeëigende, geacht moest worden in den Ban te zijn, — en een geheel concilie was het hierin met hem eens. Wat moet dan het oordeel zijn over de pausen van de laatste '200 jaar! Hun begeerte naar heerschappij is onverzadelijk, en zij ontzien geen middelen.

In verband met deze rechtsmacht meenen de pausgezinden dat de clerici niet aan het gewone recht onderworpen zijn, hetgeen door de oude bisschoppen o.a. Ambrosius en Gregorius, en de godvruchtige keizers o.a. Constantijn en Valentinianus, ontkend werd, zonder iemands protest. Zij oordeelden : geloofszaken moeten voor de kerkelijke, burgerlijke zaken voor de wereldlijke rechtbank behandeld worden. Evenwel wraakten zij het niet dat de vorsten somtijds hun gezag gebruikten

Sluiten