Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de zaken der Kerk, als het maar geschiedde om de orde der Kerk te bewaren en hare regeering te bevestigen. De Kerk heeft niet de macht om burgerlijken dwang uit te oefenen, daarom is het de plicht van vrome koningen en vorsten om den godsdienst door wetten, verordeningen en uitspraken in stand te houden.

HOOFDSTUK XII.

Over de kerkelijke tucht, welker hoofdzakelijk gebruik gelegen is in de bestraffingen en het sluiten buiten de gemeenschap.

De/.e tucht of discipline gaat in het algemeen over allen en in het bijzonder over de kerkedienaars (clerici).

In elke vereeniging, in elk huisgezin moet tucht zijn, hoeveel temeer in de Kerk, waar alles wel geordend behoort te wezen. De zaligmakende leer is als de ziel der Kerk, de tucht als de zenuwen, waardoor de leden van het lichaam elk op zijne plaats onderling samenhangen. Die de tucht wegneemt of hare herstelling verhindert zoekt de uiterste verstoring der Kerk. Zonder de tucht doet ieder wat hij wil. Zij is als een breidel, een spoor, een vaderlijke roede.

De eerste grondslag der tucht is: elkander te vermanen als 't noodig is. Vooral de Herders en Ouderlingen moeten hierin naarstig zijn. Bij de openbare prediking behoort ook de particuliere vermaning of opwekking, opdat de leer temeer vrucht drage. Zie Hand. 20 : 20. Vervolgens komt dan de regel van Matth. 18 te pas.

Er is onderscheid tusschen heimelijke zonden en openbaar bekende. Van de eerste spreekt Matth. 18 („tegen u" = met uw medeweten, zoodat niemand meer er kennis van draagt). En die moeten allereerst onder vier oogen bestraft worden. Van de openbaar bekende lezen wij o. a. 1 Tim. 5 : 20 „bestraf hem in aller tegenwoordigheid, opdat ook de anderen vreezen". Zoo deed Paulus met Petrus, Gal. 2 : 14. In dit geval houdt men zich niet aan de trappen van Matth. 18.

Voorts moet men onderscheid maken tusschen fouten en

Sluiten