Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XIII.

Over de geloften. Lichtvaardigheid in deze.

Het is treurig dat de kerk, door het bloed van Christus vrijgekocht, onder zoo groote dwingelandij en zoovele inzettingen van menschen gekomen is. Dat dit echter eene rechtvaardige toelating of oordeel is, blijkt wel hieruit, dat de menschen er zich zeiven nog zoovele pakken bijgemaakt hebben.

Vroeger is reeds gezegd: le. in de wet is ons een volmaakte regel van godsvrucht gegeven, 2e. de Heere prijst overal de eenvoudige gehoorzaamheid aan zijnen wil als gerechtigheid aan. Derhalve kunnen onze zelfopgedachte dienstbetooningen Gode niet behagen.

Mag een Christen geloften doen, die met Gods Woord strijdig z'jn, — en in hoever verbinden zij hem ?

Wat de menschen betreft spreken wij van beloften, wat God betreft van geloften. De menschen beloven wij wat wij hun schuldig zijn of wat wij denken dat hun aangenaam is. Ten opzichte van God moeten we in deze bijzonder voorzichtig zijn. Dan ach ! Wat een bijgeloof. Wat beuzelachtige, licht zinnige geloften. Niet alleen bij de heidenen, maar ook bij de Christenen.

Ten einde de geloften te kunnen beoordeelen moeten wij drie dingen in aanmerking nemen :

le. Wien worden ze gedaan ? — Wij hebben met God te doen. Hem behaagt de gehoorzaamheid, maar de eigenwillige dienstbetooningen vervloekt Hij, Coll. 2 : 23. Wij moeten God dus niets beloven dan waarvan wij stellig weten : dat behaagt Hem. Wat zonder geloof geschiedt is zonde, Rom. 14 : 23. Doch waaruit weten wij wat Hem welbehagelijk is? Uit Gods Woord, en in twijfelachtige zaken uit het geweten.

2e. Wie zijn wij, die ze doen? — Wij moeten ons vermogen en onze roeping kennen en in aanmerking nemen. Roekeloos is hij, die iets belooft dat boven zijn macht gaat of met zijn roeping strijdt. Rom. 12 : 3; 1 Cor. 12 : 11j Hand. 23 : 12 (samenzwering tegen Paulus); Richt. 11 : 30 (Jeftha). Denk bijzonder aan de gelofte van het coelibaat (ongehuwde slaat). Zij beloven dat zonder hun zwakheid te kennen, en zonder

Sluiten