Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaarten te doen, te voet, halfnaakt enz.! Alsof men door zulke dingen zou uitmunten in godsvrucht !

Vooral de kloostergeloften behooren hiertoe. — Zegt men : het kloosterleven is van ouden datum, dan antwoordt Calvijn : te voren was de leefwijze der kloosterlingen heel anders. Hoe strenge tucht heerschte er onder hen. Ook bereidden zij zich daartoe voor tot hoogere ambten. De kloosters leverden vele dienaren aan de kerk o.a. Gregorius van Nazianze, Basilius, Chrvsostomus, en vele andere zeer bekwame mannen.

Wat Augustinus van het oude kloosterleven getuigt is zeer opmerkelijk en gunstig. Toen wist men nog niet van bijgeloovige en gedwongen onthouding van dingen die ons in's Heeren Woord worden vrijgelaten. De kloosterlingen werkten toen ook ijverig om in eigen en anderer nooddruft te voorzien. Ook diende het toen tot kweeking van den band der liefde in het lichaam der Kerk, niet tot verscheuring; en in het algemeen tot oefening in de godzaligheid, niet om een nieuw soort vroomheid te kweeken.

Gansch anders is de hedendaagsche monnikerij ! Zij stellen het voor als een volmaakten staat. Monnikenleven is engelenleven. — Ze doen zelfs meer dan Christus den zijnen in 't algemeen opgelegd heeft, n.1. de zoogenaamde Evangelische raadgevingen : vijanden lief te hebben, zichzelven niet te wreken, niet te zweren, enz. Maar dit zijn geboden, geen raadgevingen slechts; voor allen, niet voor enkelen. — Om deze gewaande volmaaktheid te bepleiten beroepen ze zich ook te vergeefs op het voorbeeld van den rijken jongeling, Matth. 19 : 21 ; Luc. 10 : 26 „Zoo gij wilt volmaakt zijn, verkoop alles wat gij hebt en geef het den armen." Calvijn wijst op 1 Cor. 13:3 (men kan al het zijne weggeven, zonder liefde) en Coll. 3 :14 (liefde is de vervulling der wet, zonder dat men alles verkoopt en weggeeft), en geeft eene schoone verklaring van Jezus' woorden tot den rijken jongeling, die aan zijne gierigheid ontdekt en van zijne gierigheid genezen moest worden, zou hij het koninkrijk Gods ingaan. Hetgeen hem gezegd werd is dus ook niet een algemeen voorschrift, gelijk vele ouden meenden. — Calvijn noemt de kloosterlingen scheurmakers, die niet de gemeenschap met het lichaam der Kerk onderhouden en een eigen altaar hebben. Ze noemen zich ook met onderscheidene partij-

Sluiten