Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der natuur toelaat en wij begrijpen kunnen. Onze leer zelve aangaande dit stuk (zie boven) spreekt dit duidelijk tegen. Wat wij aangaande het Sacrament leeren halen wij niet uit de natuur of de rede, maar kan slechts door het geloof verstaan worden. Ook is het niet de vraag: wat kan God, maar wat wil Hij doen. Bovendien, God doet geen ongerijmde dingen, bijv. dat vleesch tegelijk vleesch en geen vleesch zou zijn, dat het licht tegelijk licht en duisternis zou wezen. Christus heeft trouwens zoodanig vleesch aangenomen, dat werkelijk vleesch is, en niet zonder uitgebreidheid en gedaante.

Niet Aristoteles, maar de H. Schrift leert ons dat het lichaam van Christus na zijne opstanding van een bepaalde uitgebreidheid is, en in den hemel tot den jongsten dag. Joh. 14 : 12, 28 „weggaan", „de wereld verlaten" ; Matth. 2<i : 11 „Mij hebt gij niet altijd bij u", en dergelijke uitdrukkingen bewijzen dat. Op de vraag of wij dan aan Christus eene bepaalde plaats in den hemel toeschrijven, antwoordt Calvijn, evenals Augustinus, dat dit eene nieuwsgierige en ijdele vraag is, en dat wij alleen te gelooven hebben dat Hij in den hemel is. Ook het woord „opvaart" bewijst onze opvatting. En evenzoo de geschiedenis en de wijze zijner opvaart, alsmede de woorden der engelen, bij die gelegenheid gesproken. Hij is naar den hemel gegaan, vandaar verwachten wij Hem, vandaar zal Hij wederkomen. In dezen staat Augustinus, gelijk ook de oude leeraren in het gemeen, geheel aan onze zijde. Calvijn toont dit aan niet vele citaten.

Voorts spreekt men van eene onzichtbare tegenwoordigheid van Christus' lichaam ; de Schrift leert daarvan evenwel niets. Ook stellen zij zoo een tweevoudig lichaam van Christus: zichtbaar in den hemel, onzichtbaar in het Avondmaal op aarde. Men zegt dat de natuur van een verheerlijkt lichaam niet aan de gewone natuurwetten onderworpen is. Zoo komt men tot Servet's verfoeielijke sufl'erij: „het lichaam van Christus is door zijne Godheid verslonden," en vernietigt inen den aard van het lichaam. Wat zegt daarentegen Christus zelf van zijn verheerlijkt lichaam, in Luc. 24 : 3!): „tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vleesch en beenen, gelijk gij ziet dat Ik heb." Ons vernederd lichaam zal gelijkvormig worden aan het verheerlijkte lichaam van Christus (Phil. 3 : 21), en wij krijgen toch niet

Sluiten