Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een onzichtbaar en onafmeetbaar lichaam. Eigenlijk valt met deze opvatting ook de gansche waarheid en troost van Jezus' opstanding en hemelvaart weg.

I egenwerping : Jezus is uit het gesloten graf uitgegaan, en terwijl de deuren gesloten waren tot zijne discipelen gekomen. Calvijn stelt zich de zaak liefst zoo voor, dat de steen op 's Heeren bevel weggenomen is, en daarna weer op zijne plaats gesteld. Het tweede wil niet zeggen, dat zijn lichaam door een vaste stof is doorgedrongen, maar dat Hij door goddelijke kracht zich den toegang geopend heeft. Op den weg naar Emmaus is Jezus niet onzichtbaar geworden, maar hunne oogen werden gehouden dat zij Hem niet kenden en niet meer zagen.

Doch al gaven wij de onzichtbare tegenwoordigheid van Christus' lichaam toe, daarmede is de onmetelijkheid of de alomtegenwoordigheid van zijn lichaam nog niet bewezen. De Schrift leert, dat Christus een waar lichaam heeft, dat Hij plaatselijk ten hemel gevaren is, enz. De belofte van Matth. 18 : 20 (Waar twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, daar ben Ik in het midden) geldt niet van zijn lichaam; het verband van dien tekst wijst volstrekt niet op lichamelijke tegenwoordigheid, en dan zou C hristus ook buiten het Avondmaal lichamelijk in ons wonen .... De leer der Roomsche kerk noemt Calvijn nog verdragelijker dan die van de alomtegenwoordigheid van het lichaam van Christus. Dit is de dwaling van Eutyches en Servet. De Schrift leert dat elke natuur hare eigenschap onvermengd behoudt. De oude kerk heeft Eutyches terecht veroordeeld.

Ze wijzen ook nog op plaatsen als Joh. 3 : 13 „de Zoon des menschen, die in den hemel is;" Joh. 1 : 18 „de Zoon, die in den schoot des Vaders is." Dit wordt gezegd van Hem, terwijl Hij op aarde was. Calvijn zegt daarop: schoon de geheele Christus overal is, zoo is nochtans niet alles wat in Hem is, overal, nl. niet zijne menschelijke natuur. Zoo wordt ook gezegd in 1 Cor. 2 : 8 „den Heere der heerlijkheid hebben zij gekruisigd," en dit is toch alleen in zijne menschelijke natuur door Hem ondergaan.

De kwestie gaat alleen over de wijze van de tegenwoordigheid van Christus in het Avondmaal, of Hij tot ons vleeschelijk nederdaalt in het brood, dan of wij tot Hem opklimmen door de kracht des H. Geestes. Gaarne wil Calvijn erkennen, dat

Sluiten