Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeker, want ze zijn allen van God. De goeden zijn een groote zegen, de verkeerden zijn tuchtroeden om de zonden des volks. Job 34 : 30; Hos. 13 : 11; Jes. 3 : 4; 10 : 5; Deut. 28 : 29. Ook in die slechten is die treffelijke en goddelijke hoogheid, waarmee de Heere de dienaren zijner gerechtigheid bekleedt. Meermalen wijst Gods Woord ons op het bijzonder bestuur Gods omtrent het uitdeelen van koninkrijken, het aanstellen en afzetten van vorsten. (O.a. Dan. 2:31,37). Ook Nebukadnezar, Kelsazar en dergelijke waren door God aangesteld (Ezech. 29 :10; Dan. 2 : 37; 5 : 18), en derhalve ook eer en gehoorzaamheid waardig. Zie ook 1 Sam. 8 : 11 (dat en dat zal de koning u doen — en nochtans hebt ge hem te gehoorzamen), en vooral Jerem. 27 : 5—8 (alle volken hebben Nebukadnezar te gehoorzamen, ook de Joden, totdat ook de tijd van Babel zal vervuld wezen) („Ik heb Nebukadnezar het koninkrijk gegeven, dient hem derhalve en leeft"). Zie ook Jer. 29 : 7 (Israël moet den vrede van Babel zoeken en daarom bidden, opdat ook zijzelven welvaren). Let ook op Davids houding jegens Saul, 1 Sam. 24 : 7, 11 ; 2(5 : 9.

En dit is zoo met betrekking tot allen, die God over ons aangesteld heeft. Wij mogen onze plicht niet nalaten al gedraagt een vorst zich niet naar behooren. Wij hebben vooral op onze roeping te zien en niet op anderen. Wij hebben ons maar te verootmoedigen en God te bidden.

In zulke omstandigheden van verdrukking openbaart God soms zijne goedheid ter eener zijde, in het verwekken van openbare verlossers, die op zijn bevel eene goddelooze regeering straften en het verdrukte volk verlossen (Mozes, Othniël, enz. enz.) — soms zijne macht en voorzienigheid, door wraak te oefenen of verlossing te geven door hen die heel wat anders beoogen dan de verlossing der verdrukten (Tyrus, Egypte, Assyriërs, Chaldeërs, Meden en Perzen. — De een onderwierp den ander; zij verbrijzelden de verdrukkers; zij dienden Gods raad, zonder het te willen of te weten. — Zoo waren Assyrië en Habylon roeden Gods voor Israël). De eersten schonden niet de majesteit der vorsten, maar, van den hemel gewapend zijnde, breidelden zij de mindere macht door de meerdere. De anderen waren wel instrumenten in Gods hand om zijn werk te doen, doch hadden niets dan boosheid in den zin.

Sluiten