Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgezet, afhankelijk is van het voor iedere soort eigenaardig weefsel van den bast en dat de bladeren daarop geen invloed hebben".

Toen, veel later, in algemeene toepassing kwam het enten van de edele Ledger op Succirubra, is meermalen bevestigd kunnen worden wat Moens uitsprak, een verrijking o. a. van den onderstam Succirubra.

Herinnerd mag er hier aan worden dat, in weerwil van het in 1866 reeds gegeven voorbeeld, in '82 moest aangeteekend worden: „Proeven met het enten in de open lucht (door Ottolander in de kweekhuizen met groot succes aangevangen) gaf gennge resultaten". En in het verslag 1883 heette het reeds: „De proeven met het enten op Succirubra's in den vollen grond, gaven voortdurend zulke slechte resultaten dat ze geheel werden gestaakt". (Sinds lang verent men met succes niet alleen op kweekbedden maar ook op planten zg inden vollen grond).

Ook de belangrijke vraag, of er reden is om te denken, dat de uit zaden gekweekte planten zullen afwijken van het type der moederboomen, waarbij dan vooral een slechter worden der soort, in dien zin, dat ze minder, of minder waardvolle alkaloïden bevat, zou gevreesd worden, trachtte Moens in 1873 tot een althans benaderende oplossing te brengen. Daarbij werd degelijk gedacht aan de nog bestaande moeielijkheid wegens de erkende vroeger gebrekkige analytische methode. Maar toch kon op feiten gewezen worden die gerust stelden.

Zoo waren b.v. alle Offlcinalis- en Succirubra-planten afkomstig van zaden, eerst van in Br.-Indië, later van op Java gekweekte planten gewonnen en „het gehalte van geen der beide kina-soorten kon gezegd worden, te zijn gedaald". (De opmerking is hier op haar plaats, dat juist die twee soorten toen nog wel het meest typisch, flink te onderscheiden voorkomen, met de minste individueele afwijkingen vertoondendoor voortgezette kweek uit zaden kan daarin echter verandering zijn gekomen.)

Ook de analyses van eenige Calisaja's en Hasskarliana's konden op teruggang moeilijk wijzen, maar, als gezegd, vergelijking met vroegere analyses (de Vrij) waren bedenkelijk en Moens meende voorloopig te mogen aannemen, dat de vermenigvuldiging door zaden volkomen te billijken is, kunnende die door stekken daarmede steeds gepaard gaan. Natuurlijk heeft Moens bij deze uitspraak gedacht aan zorg tegen verbastering, het onttrekken, zoo streng mogelijk, aan den invloed van bestuiving.

Sluiten