Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschrijving van zijn mos-bekleeding der kinaboomen en van haar doel en werking.

Hjj meende dat de kinine en neven-alkaloïden in de bladeren der boomen gevormd worden en wel aan de kina-zuren gebonden, om later in den bast te worden afgezet, waar dan, met de vermeerdering van het celweefsel, een aanwinst van zuivere kinine zou plaats hebben. In dit celweefsel van her liber, zou echter, tegenover de gestadige afzetting van alkaloïd. eene vermindering van kinine plaats hebben tengevolge van de inwerking van licht en lucht op den bast. Kon men dit oxydatieproces, aldus meende Mc. Ivor, nu tegengaan, dan zou de kinine-formatie of aangroei gestadig doorgaan en in den bast van Succirubra tot 17 pCt. stijgen kunnen. Het middel tot remming ^ van dat oxydatie-proces werd nu gezocht en naar Mc. Ivor's beweren, gevonden in een afsluiting van den bast van lucht en licht, door een bekleeding met mos.

Voordat we nu verder gaan met memoreeren van wat in November 1878 in de K. A. v. W. voorgedragen en in hare verslagen gepubliceerd werd, moet hier toch aandacht gevestigd op Mc. Ivor's hoogst belangrijke werkwijze. Bij deze toch werd een theorie voorop gesteld en als men die met studie en overleg tot een stelling gaat verheffen, wordt men allicht bedreigd met de kansen, dat men, bij toepassing op de praktijk, liefst gebeuren ziet wat men meent te mogen verwachten. Beter en veiliger zou zeker zijn, te trachten verschijnselen tot klaarheid te brengen, de theorie dus op de praktijk te doen volgen. Ook kan men meenen, ja met groote waarschijnlijkheid zelfs aannemen, dat, in casu, een afsluiting van licht en lucht (deze dan in elk geval toch alles dan volkomen) ten goede werkte, maar bewezen is daarmede niet, wat zou zijn gevolgd ware die afsluiting achterwege gebleven. Een absoluut zuivere vergelijking wordt niet getroffen.

Als we nu ons verhaal vervolgen, zal dan ook wel blijken, dat het laatste woord niet gesproken was.

Op Java werden dus reeds in 1864 honderden kinaboompjes met mos bekleed en de scheikundigen de Vrij en Moens in de gelegenheid gesteld de uitkomsten te onderzoeken. De analysen leidden toen echter niet tot een beslissing. Moens constateerde een vermeerdering van alkaloïden (jaarbericht 1870) in vier boompjes, die een jaar lang met mos bekleed en vóór die operatie ook aan een onderzoek onderworpen waren.

Had men nu het recht een geringe aanwinst toe te schrijven aan de mos-bekleeding, of kon die aanwinst een gevolg zijn van rijper leeftijd der jonge boompjes ?

De Vrij onderzocht twee gelijksoortige, even oude individuen, die naast elkander groeiden en waarvan er een met mos was

Sluiten