Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot de eindconclusie, dat bij de kinaboomen het alkaloïd in de bladeren gevormd wordt, van daar naar den stam wordt afgevoerd en hier óf in zijn oorspronkelijken vorm, óf in den vorm van een nieuwe verbinding — waaruit een ander alkaloïd dan het uit de bladeren aangevoerde ontstaat — wordt bewaard".

„Met deze conclusie wil de schrijver (Dr. Lotsy) evenwel niet absoluut de mogelijkheid uitsluiten eener vorming van alkaloïden in den bast zelf, doch neemt hij, op grond van proeven, de redeneeringen wel aan, dat deze in elk geval ver achterstaat bij hetgeen in de bladeren gevormd en van daar naar den stam wordt afgevoerd".

Zich beroepende op de in De Ind. Mercuur van 20 Febr. en 27 Maart 1900 achtereenvolgens door mij en Dr. van Linge geleverde critieken op Lotsy's conclusiën (dezerzijds werden L's. mededeelingen weliswaar critisch, doch met waardeering besproken) haalt Van Leersum o. a. het toen dezerzijds in overweging gegevene aan „om een afdoend bewijs dan wel tegenbewijs der stellingen te zoeken, door eenvoudig een boom eens van zgn bladeren te ontdoen, een geruimen tijd bladerloos te houden en dan te zien, welke invloed dit op het alkaloïd-gehalte zou uitoefenen. Wordt toch het alkaloïd werkelijk vooral in de bladeren gevormd, dan zou, als er totaal geen bladeren waren, het gehalte langzamerhand moeten verminderen, zoo niet verdwijnen", (In dezen raad lag toch inderdaad meer opbouwende dan afbrekende critiek besloten).

„Vóór dezen raad gegeven werd, was rapporteur (Van Leersum) reeds op dit zoo voor de hand liggend denkbeeld gekomen en hiermede bezig, getuige de aanteekening in het jaarverslag 1900 (lees 1899)".

„En een 25-tal analyses omtrent deze proeven in 1900 verricht, komen deze bevinding niet alleen bevestigen, doch vindt men, nadat de boom 24 maanden lang bladerloos is gehouden, zelfs het bijna ongeloof baar feit eener vermeerdering aan gehalte van 1.26 tot 1.42 pCt".

„In sommige gevallen blijkt die toename zelfs buitengewoon groot te zijn, getuige een 24-tal analyses, waar na 6 maanden een toename wordt geconstateerd van 2,59, 3,12, 3,70, 2,63, 2,16, 2,40, 1,75, 2,96 pCt. kinine!"

Wordt nu niet gestreefd naar te veel betoogen? Zes en 24 maanden maken zeker wel een verschil en blijkt uit de aangeteekende gegevens dan toch, dat de toename in de eerste zes maanden, gevolgd werd door een terugloopen in de latere maanden. Hoe wordt alweder door deze proeven de drang tot samenwerking van chemie en physiologie versterkt!

Sluiten