Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gronden van de Gouvernements-kina-onderneming reeds van 1854 af met hetzelfde gewas in Cultuur is, dan zal men moeten toegeven, dat bemesting een conditio sine qua non geworden is".

Lezers van deze verklaring, die zich de geschiedenis der gouvts.-onderneming niet zoo dadelijk en in haar geheel kunnen herinneren, hebben recht ter zake hier anders te worden ingelicht. Van 1854 tot 1864 is er voor aanleg van kinaplantsoen geen woudboom gekapt; al wat aan kina in den grond kwam, vond plaats in de ongeschonden oorspronkelijke wouden. Van de honderdduizenden zoo gehuisvest, kwam zoo goed als niets terecht, kon niets loonends verwacht worden. Omstreeks medio 1864 werd aangevangen met het ontwouden voor den aanleg van geregelde kina-tuinen. Tot omstreeks 1866 geschiedde die ontwouding nog maar ten deele, d.w.z. liet men de fraaiste, hoogstammige woudboomen staan. Eerstens, wilde men niet al dadelijk tot een ander uiterste overgaan en voorts, mocht men zich voorstellen, dat de hooge, gespaarde kruinen de jonge plantsoenen goed zouden doen door ze tegen de krachtigste zonnestralen te beschutten. Als in 1866 toch begonnen moest worden met het verwijderen van alle woudboomen, geschiedde dat door de ervaring, dat de gespaarden niet bestand waren gebleken tegen hevige voor- en najaars-stormen en hun val den kina-aanleg deerlijk schaadde.

Tot 1875 werden in toto een 900 bouws voor kina ontgonnen en de ontginningen hadden zeer geleidelijk plaats volgens een vast stelsel, dat in het verslag over 1865 werd beschreven en dat mocht doen verwachten, dat er van gronduitputting in afzienbaren tijd geen sprake behoefde te zijn. Verlies van vruchtbaarste kruinaarde was, geweldige invloeden daargelaten, niet te duchten. Alle afval in de plantsoenen werd begraven en het onkruid dat overal het weligst tierde, alles beheerschte, was de Composiet Sintron (Erechtitis Valerianifolia) die binnen eenige weken alles bedekte, geregeld werd neergeslagen en bij de één- of twee-jaarlij ksche bewerking van den grond, in dezen begraven werd. Waar verlies zooveel mogelijk voorkomen werd, had, door die geregelde ondergraving van groene of verdroogde massa, een verrijking van den bodem plaats.

Op de in 1865 het eerst ontgonnen en beplante gronden komen thans, 1907, dus na ruim veertig jaren, nog van de z.g. oorspronkelijke Ledgers voor en een vergelijkend scheikundig onderzoek van die en maagdelijke gronden, in 1904

Sluiten