Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elke boom éen pond, zoodat het hiermede verkregen voordeel tegen de onkosten ruimschoots opweegt".

„In een tuin, waar de boomen in plaats van een pond (Kilo?) twee pond vleermuizenmest hadden gekregen, werd een vermindering van 0,45 pCt. geconstateerd; waarschijnlijk zal hier over eenigen tijd wel vermeerdering plaats hebben. Hetzelfde had plaats bij de boomen, die bemest waren met de drie andere genoemde mestsoorten; na zes maanden werd in de meeste gevallen een vermindering, doch na twaalf maanden een vermeerdering waargenomen. Ook de onkosten van deze mestsoorten werden ruim vergoed door het verkregen hooger gehalte van den bast".

Deze gegevens geven zeker geen voldoende zekerheid, althans nog gebrekkige aanwijzingen voor de planters. En, het ware stellig van belang geweest, de uitkomsten en berekeningen van deze proeven met vier mestsoorten, te stellen tegenover de reeds vroeger besproken uitkomsten van boengkil kaliki-bemesting, te meer, daar deze reeds als de superieure en goedkoopste werd voorgesteld (Goedkoopste, als men Van Leersum's doen volgt, d. w. z. kaliki-zaden van de bevolking opkoopen, ze te persen en de olie voordeelig van de hand te zetten. Is men daarmede dan toch niet vooruitgegaan?)

„Als vervolg op hetgeen in vorig verslag werd aangeteekend omtrent de op verschillende ondernemingen ondervonden afwijkingen in gehalte, van plantsoenen uit zaad van gelijken oorsprong, van Pandan Aroem, kon nu bevestigd worden, dat onvoldoende bodembewerking daarop van invloed moet zijn geweest. Zaailingen van denzelfden oorsprong bleken op de gouvernements-onderneming nu, in hun tweede jaar, reeds 5,04 pCt. kinine te houden. De aanplant hiervan is op het oogenblik drie jaar oud en heeft reeds een gehalte van 6,85 pCt. kinine".

„De oorzaak van het abnormaal laag gehalte in bovengenoemd plantsoen (Pandan Aroem) zal dus wel moeten toegeschreven worden aan de slechte bewerking van den bodem".

„Een vijftiental analyses hebben betrekking op de onderzoekingen omtrent localisatie van het alkaloïd. Van vijf Succirubra-boomen werden afzonderlijk onderzocht: de bast van den hoofdwortel, die van wortels ter dikte van een pols, en ter dikte van een duim en die van dunne wortels. Uit de verkregen uitkomsten blijkt, dat de dunnere wortels meer alkaloïd inhielden dan de dikkere, zoodat het vermoeden voor de hand ligt, dat de wortels deelnemen aan de vorming van het alkaloïd uit de bodembestanddeelen".

Sluiten