Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ik een dag later op dek kwam, stoomde het schip al reeds een paar uur door het Suez-Kanaal, maar van beweging was in de hut niets te bemerken. Een frissche Oostenwind.... een fel schitterende hemel en de groote, spreidende eindeloosheid van de woestijn.

Wij hadden 't grijze aangezicht van Maart vaarwel gezegd in Europa, en 't rose gelaat met donker schitteroog van April lachte ons toe uit Egypte.

Het lichtgroene water van 't kanaal tintelde van licht en er was opgewektheid in de lucht. Twee groote bruine roofvogels vlogen bijna rakelings langs het voorschip een duif na.

De oevers van 't kanaal zijn minder eentonig dan ik mij had voorgesteld. Dit hebben wij te danken aan den Nijl. Want daar langs stuurboord loopt de zoetwater-leiding, waaruit men 't zand besproeit, en alleen langs die zijde dan ook strekt zich uit een groene strook planten, zandwilgen en tjemaras.

Langs dienzelfden kant loopt de spoorweg, die naar Ismaïlia en van daar naar Caïro voert. Zoo op het oogenblik ging een trein voorby en op hetzelfde oogenblik kwam aan bakboordzijde, langs een karavaanweg, die naar een pont over het kanaal leidt, uit het oosten van achter een kleine groep palmboomen, een twintigtal kameelen aan, zwaar beladen en druilig voortschrij dende.

Toen ik de schouder-schokkende, schuivende kameelen zag, was het mij alsof ik Isaac da Costa weer hoorde zeggen in de Hollandsche Maatschappij:

„Op de maat,

Van dat de zon herrijst, vervolgt het dier tevreden Met onvertraagde vaart, met onverhaaste schrede,

Gelijk de kloknauld tikt, zijn weg."

Sluiten