Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De twee betooverende regels, waarmede een der sonnetten van De Hérédia aanvangt, zingen vandaag in mijn geheugen:

„Accoudce au bulcon d'oü Ton voit Ie clicmin Qui va des bords du Loire aux rives d'Italie.. . .u

Want ik zit op het balkon van een der houten paviljoens, door witte rozen aan twee zijden overstroomd, van Tosari, 't gezegend oord van frissche nachten, Europeesche bloemen, heilige zonsondergangen, dat, op een uitlooper van het Tenggergebergte gelegen, zich meer dan 5000 voet verheft te midden van rook-opwolkende of uitstootende vulkanen.

Van het balkon zie ik den weg naar zee, naar Pasoeroean en Soerabaja, van waar wij gisteren zijn opgestegen naar een nieuw klimaat, een nieuwe wereld, naar berglucht als die van 't Schwarzwald, naar semitropischen plantengroei, als van Mentone en Bordighera, naar een bloementuin te midden van de dreigende vulkanen.

We verlieten om half zeven 's ochtends het drukke, veelkleurige Soerabaja, waar het toen reeds wemelde op straat van bijna al de rassen van het Oosten, van een woeligen,

vroolyk stemmenden stroom van bewegend leven en waar

het den vorigen avond na zonsondergang nog 88 graden was!

Onze trein ratelde naar Pasoeroean, dat wij in twee uur bereikten. Zulk een spoorwegtocht in de ochtenduren is zoo buitengewoon belangwekkend en mooi. Tusschen rystvelden door, waaruit de hoofddoeken der hurkende inlanders, oranje,

blauw, vlammend geel en rood, als tulpen uitstralen langs

woningen van inlanders, langs violette bergen, langs kleine

Sluiten