Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boven ons hoofd in haar laatste kwartier. 'tWas slechts een smal zilveren sikkeltje, dat beschenen werd door de zon, die over anderhalf uur weer zou opgaan. Het donkere gedeelte van de maan, verlicht door Aarde-licht, door zonneglans weerkaatst door de planeet de Aarde, zag men zoo duidelijk mogelijk.

»De dag breekt aan!« riep ik zoowat tegen half zes uit. Ik zag het eerst een bleeken glans. Zij, die te paard en te voet achter mij aangingen, hadden een paar flambouw-dragers, maar mijn koelies verkozen gelukkig het starrenlicht, en daardoor genoot ik het eerst van de geboorte van het licht, van de parelglanzende, zachte overgangen van den nacht in den morgen. De schemering duurt veel langer dan ik altijd gehoord had. De overgang is volstrekt niet plotseling, maar geleidelijk en zeer harmonieus.

— »0, vader, kijk u even links,« riep mijn zoon, die den tocht te voet deed en naast de tan doe liep.

En daar zag ik tusschen de donkere, nog kleurlooze stammen van de tjemaras een lange streep rozeroode wolk, zoo stralend en gloeiend van oneindig teedere en toch vlammende kleur, dat wij allen er stil van werden. Toen vlamde het van oranje en vermiljoen.... en daar rees de zon aan een kristalhelderen, lichtblauwen hemel.

»En God zeide: daar zij licht.... en daar was licht.«

Het was plechtig mooi!

De schaduwen der ravijnwanden waren nog donker, maaide bergtoppen zonden ons stralen toe, en dra scheen in den vroegen morgen Hollandsch zomermiddaglicht op den bergweg.

Na drie uren klimmens waren wij op den Mungalpas.

De koelies hurkten in een kring op de steile hoogte boven den pas en brandden wierook als offerande aan God Bromo.... »dan geeft hij ons heden goed weder!«

Als door halfmat glas schemerde de Zandzee ons toe uit de

Sluiten