Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fransche schrijvers, die in Tropisch Afrika reizen, spreken steeds van »le ciel cru d'Afrique«. Maar dit is al het laatste woord, dat mij in gedachten komt onder den hoogen hemel van onzen gebenedijden archipel. Schreef ik in het Fransch, dan zou ik gewagen van la limpidité bleue d'une adorable sérénité van Java's hemel.

Vooral treft dit 's ochtends.

In zulk een Oosterschen morgenstond komt het lieve liedje, frisch door muzikale poëzie, van André Rivoire mij in 't geheugen:

„J'ai tant de rêves au coeur en ce raatin joyeux

ia

Que la petite chambre en est tout agrandie,

l'n horizon de plaine immense est dans mes yeux,

Et ma pensee est comme une abeille étourdie."

Wat geniet ik hier al wandelend en hoe lang kan men het doen zonder vermoeienis.

Reeds een geheele week zwerf ik om in het Tenggergebergte, dat my boeit en begoochelt door zijn overeenkomst met Vogezen en door het verwonderlijk verschil er mede, dat tropische natuur en wolken uitstootende vulkanen veroorzaken.

Van ochtend om half zes waren wij op weg naar een der hoogten van den Tengger en gingen langs een der ribben, die straalsgewijze van den reusachtigen krater uitgaan. Uitgehouwen zijn de smalle strooken grond, waarop hier en daar kleine woningen staan, en die uitkappingen toonen, hoe de grond bestaat uit opvolgende lagen van enkele voeten diepte, die elk een uitbarsting van den krater in herinnering houden. Overal dus grond van trachiet, puimsteen en vulkanische asch.

Toen wij een paar uur geklommen hadden, rustten wij uit,

Sluiten