Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sarcombe uit San Francisco, die een boek over onze Oost schrijft, en die reisde met den heer en mevrouw G. W. Beattie, Amerikanen, sinds zes jaar te Manila, in de Philippijnen, gevestigd.

«Hoeveel beschaafder, beminnelijker en zachter van manieren en stem zijn uw Javanen dan het ruwe, barsche volk in ons tropisch eiland!« zeiden ze. »En hoe betooverend bekoorlijk zijn Java en Sumatra!«

Tegenover mijn chalet is er een villa vol Engelschen uit Singapore, die eveneens de Javanen prijzen.

Heden reed op de wandeling een groote Duitscher mij voorbjj, zittend op een zeer klein bergpaard, op weg naar een ander hotel in de bergen, een uur van hier, het liefelijk Ngadiwono. Ik liep een half uur naast hem eer hij links af moest slaan, en het was belangwekkend dezen knappen geleerde, die de Javaansche insecten bestudeerde en een groot en een klein schepnet over zijn schouder droeg, te hooren over onze koloniën. »Welke mooie wegen! Hoe volkomen veilig is men! Welke vriendelijke ontvangst geniet ik van alle Hollanders en wat een goed volk hebt gij hier.«

Ik sprak af, met hem een wandeling te doen door het gebergte, waar hij mij eenige merkwaardige planten beloofde te toonen.

HÜ was door den Oosthoek van Java geweest en vertelde mij eene aardige uitdrukking der inlanders. Jaarlijks komen van Madoera plukkers en pluksters aan 't oogsten helpen, gelijk de hannekemaaiers bij ons. Na den oogst vertrekken ze weder en deze trekvogels worden daarom »de vogelbevolking* genoemd (manoe-manoean).

Dit vond mijn Duitscher bijzonder dichterlijk, en hij lachte zoo smakelijk, toen hij het vertelde, dat ik zeer met hem opkreeg.

»Ja, het zijn goedige rijstvogeltjes, uw Javanen«, zeide hij.

Sluiten