Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheugen dwong. Ik wilde toch, gelijk vader Adam eenmaal deed, namen kunnen geven aan al wat ik zag. Het denkbeeld hinderde my, dat ik telkens zou moeten vragen: hoe heet die boom, die reuzenbloem, dat festoen van bloemtrossen? Wat is de naam van die vrucht, zoo glanzend goudgeel van binnen, van die lianen, die mossen en varens, van die aromatische schors, van die plant met kleurige kruikvormige uitgroeisels? En daarom had ik o. a. medegenomen een der voortreffelijke boeken, door het Koloniaal Museum te Haarlem uitgegeven, De Houtsoorten van Nederlandsch Oost-Indië, tevens beschrijving der meest bekende boomen.

Aan welk een tal van nieuwe namen moest ik wennen, toen ik poogde, door beschrijvingen te lezen en te herlezen, mij een denkbeeld te vormen van vele geliefden onder de boomen en bloemen, opdat ik ze zou kennen als ik voor het eerst ze zag.

Van ééne herkenning van eene onvergelijkelijke prinses onder de bloemen, die ik slechts uit beschrijving kende, zal ik u iets vertellen.

Niet anders ging het weleer koningszonen, die de verre gegeliefde slechts kenden uit portretten, hun door buigende gezanten overhandigd, en die, als ze de prinses zagen, zich verheugden... of wel vloekten op den vleienden hoveling, die 't penseel misbruikt had.

Mij was steeds veel verteld van deWoengoof Boengoer (Lagerstroemia flos reginae Retz is haar korte botanische naam), een woudreus, 130 voeten hoog, laag vertakt, diep gesleufd en als platanen in reepen afschilferend. In bloeitijd is de geheele loofkroon één groote, ontzag- en bewonderingwekkende bloem, gloeiend van violet licht. Op grooten afstand trekt hij de aandacht als een hooge vlam in het woud.

Deze brunette onder de boomen strooit, als de Oostmoesson komt, haar bloesems op den grond. Een flonkerende pracht van kleur sneeuwt dan omlaag langs haar donkere schors.

Sluiten