Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hongersnood, met watervloed en brand, leerden de menschen in de gestrenge, ja verschrikkelijke school der natuur telkens de meerdere te worden van hun schoolmeester en met de ziel de materie te onderwerpen.

In het tropische woud begon weleer de opvoeding van den mensch.

Rust gevend was de stilte — toen wij eensklaps, rechts van ons, uit het woud een klank van klokken hoorden.

Het was de gamelan!

Wij hoorden 't bonzen op de bronzen gongen en hun lang

gegons een bamboefluit gaf klagend zoet geluid, en schel

en scherp sneed soms daartusschen het hooge snerpen van den

rebab met twee snaren hoe galmde 't dreunen van het

verwijderd donderrommelen van kendangen vanketijung; van de b o n e n g s, de metalen ketels, langs wier koperen knop gewreven wordt door bruine handen, langzaam, rhythmisch — Hoe zoet en droef eentonig luidde het klinken van klankstaven en klankschijven, het bonzen op de trom en 't telkens weer herhalen van denzelfden somberen gongslag — De dreunende accoorden gelijken op de natuurgeluiden van het donkere woud, maar door de ziel van 't Oosten ons vertolkt.

Er was een eentonige, weemoedige cadans in, een rhythmus van berusting en contemplatie, een liefelijke avondstemming.... de angst van den nacht was overwonnen — kalm en in vrede

bogen zich de hoofden maar het crescendo, het hoopvolle

omhoogvoerende, triumfeerende crescendo van adspiratie ontbrak! Berusting, berusting!

Als steeds zwakker klinkende riemslagen in den stillen nacht stierf het geluid weg in de verre duisternis.

Strijk-, slag- en tokkelinstrumenten zwegen en 't was me

als zag ik lange, kleurige sarongsiepen plotseling dalen en slendangs, zooeven nog hoog opgeheven in de lucht, neerzinken langs zeer schoone slanke leden.

Sluiten