Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kon h\j zijn paarden niet besturen bij de eerste wending

van den weg raakten wij bijna in een ravijn. Het scheelde maar een haartje! Wij wierpen ons rechts. Het karretje bleef op den rand. Toen gaf ik hem de zweep terug, en beloofde hem twee kwartjes als hij slechts sloeg wanneer het volstrekt noodzakelijk was. Sloeg hij te veel, dan kreeg hy geen fooi! Maar nu keek hij met opgeheven zweep telkens naar mij om, vragend: »Mag ik slaan?« en dat terwijl wij steil naar omlaag zigzagden. Dit was niet uit te houden! Ik vraag excuus, maar ik zei: »Loop naar den bliksem en ga je gang!« Dit begreep hjj, al was het geen Maleisch. En klets, klets liep hjj naar den bliksem!

Onze koetsier, die naar het djatibosch ons brengen zou, was van hetzelfde ongevoelige Javaansche soort, dat een bejaard heer tot vloeken verleidt.

»Mjjn paarden zijn rampas«, zeide hy tot myn vriend, wat zeggen wil, dat ze zoowat zes jaar oud waren. En die vlugge, gewillige dieren, welker snelle hoeven zoo vroolijk tiktakten over den harden weg — mij een witte hit in 't Gooi, genaamd Rittemetit, in herinnering brengend — werden zoo snerpend geranseld door twee mannen, dat ik er wee van werd.

De Chinees was er zeer gelaten onder! Hij begreep mijn weerzin niet. »Ze zyn er aan gewend«, meende hy. Wat heeft die verontschuldiging van »er toch reeds gewend aan zyn« al een kwaad in de wereld gedaan!

Nu reden wij over het schrale kalkgesteente, waarboven 't oude djati-woud verrijst.

Vergeten wij de gemartelde hitten, dacht ik. Armida's tooverwoud wenkt ons.

Wij hielden stil. De bleekgele Chinees en ik schreden voorwaarts.

En daar was ik in het land van den Dood! Lijkkleurige

Sluiten