Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe geurt het om mij aan mijn schrijftafel, waar ik mijn brief van gisteren eindig.

'tls Vrijdagochtend, wanneer de Javaan zijn dooden eert. Langs den geheelen straatweg tusschen ons huis en den «heiligen berg«, waar honderdduizenden Javanen begraven worden, zaten heden bij zonsopgang vrouwen en meisjes met korven en manden vol bloemen en bladen, die den dooden tot hulde zullen zyn — vrouwen zullen ze strooien.

Ik kocht er van. In keurig afgesneden stukken pisangblad met een houten pennetje vastgestoken, kreeg ik een paar groene bossen s las ie, zacht aromatisch, met halmen zeer kleine en fijne witte bloemen.... een handvol witte melatties zoetgeurend als oranjebloesems..., verder bleek-gele kenangas en tjempakas, die my aan lindenbloesems denken doen door hun blad, maar die een Oosterschen geur hebben, welke op geen andere gelijkt.

Die bloemen spraken van geloof en hoop! Voor den derden keer vanochtend gaat een begrafenisstoet voorbij over den breeden straatweg onder de hooge tamarindeboomen door.

De doode, in windselen gewikkeld en door zeven banden omsloten, wordt op een baar, door een gekleurd laken of krodofig overdekt, door vier mannen, leden van zijn familie, grafwaarts gedragen met de voeten vooruit. Een van zyn vrienhoudt een open, met wit overtrokken pajong of zonnescherm als bewijs van eerbied boven den doode. Vóór den lijkstoet ging iemand met een klein wierookvat met brandenden wierook. Velen volgden, onder wie een paar hadji's en santri's, en welluidend klonk de zang die geïntoneerd werd, en waarin uitkwamen een paar jonge tenorstemmen en een koor van zware

Sluiten