Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanschouwt men den hemelkoning Indra, op een divan gezeten, terwijl aan zijn voeten een tot hem opziend jongeling zit, die de Wina of Indische luit bespeelt. Men ziet een maharaj ah, die als scepter een lotusstengel in de hand houdt en op een draagstoel is gezeten.

En telkens weder worden wij verplaatst in den hemel en aanschouwen wij Indra en Indrani met de armen om elkander geslagen. Ook wordt door menig tafereel nadruk gelegd op de groote verdienste, die men verwerft door het bezoeken en vereeren van heiligdommen. ')

Bij benadering stelt professor Kern als datum van de bijschriften en van den onderbouw het jaar 850.

Maar toen de afbeeldingen genomen waren, moest het beeldwerk weder onder zand en steen bedolven worden. Want het voetstuk was weleer begraven alleen om het geheel te redden.

Door den kolossalen druk op den grond van het zware gebouw was er zetting ingetreden van de droog met haken en tanden in elkander gewerkte muren en terrassen, vertelt de heer IJzerman. Het regenwater drong gedurende den westmoesson door de voegen naar binnen, doorweekte den bodem, vergrootte den gronddruk tegen den achterwand der muren en verergerde langzamerhand den toestand.

Deze omstandigheid leidde tot voorziening van den voet.

Een massa van niet minder dan 11.600 kubieke meter steenen werd als een machtige band daaromheen gestapeld en belette het uitwijken.

Natuurlijk werd het besluit om den slanken, sierlijk bewerkten voet voor goed aan het gezicht te onttrekken, niet dan noode genomen, en toen men er eenmaal toe gekomen was, kon men het niet van zich verkrijgen, de bas-reliefs, die bedolven moesten

*) Hierorer leze men wat prof. H. Kern schryft in zijn opstel, over de Bijschriften op het Beeldhouwwerk van Boro Boedoer in de 3de Reeks Deel XII van de Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen.

Sluiten