Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Strikt verboden is haar, iets van den grond op te nemen en het in haar mond te steken. Voortdurend let de moeder

er op. De kleine weet dat het verboden is, soms doet ze

als of ze iets opraapt en het handje gaat naar den mond....

een noodkreet van de moeder, die vlug naar haar toewipt, en niets vindt dan een snuitig gezichtje en lachende oogen, een kindje dat schudt van de pret. Ze heeft zulk een helder frisch lachje, dat kind van even een jaar oud, »en de lach komt zoo rein en diep«, zeide de moeder, »dat het schynt alsof die uit het gouden hart van de aarde opkomt«.

Als ik aan Java terug denk, zal ik dat kind tusschen bloemen aan de bruine rivier voor mij zien.

Kinderen en bloemen en boomen!

Een dag of wat heb ik, midden in het p lantenwoud van Buitenzorg, bij den Gouverneur-Generaal en Mevrouw van Heutsz gelogeerd, en ik heb, dagelijks wandelend door Kenarielanen en tusschen palmen, Cycadeeën, Poespa- en Merantia-boomen, Kattoppangs, Gadokken en kultuurplanten, zuovele natuurwonderen leeren liefkrijgen, welke men in Europeesche broeikasten slechts als bleeke, kwijnende kleine planten kent. Doch ik ben niet bevoegd van het plantenwoud van Buitenzorg — een tropische hortus als een kathedraal — iets meer dan dit te zeggen. Moest ik het doen, dan zou ik vertalen dat zeer aantrekkelijke en levendige, kleurige ofschoon geleerde boek van Professor G. Haberlandt, Eine Botanische Tropenreise. Dr I. F. van Bemmelen vestigde er aandacht op in een met warmte geschreven opstel in het Januari-nummer van de Gids van 1895, dat velen toen zeker, als mij, noopte het boek van den Oostenrijkschen geleerde te bestellen. Van de plantenwereld in onze tropen en van de beteekenis van den Buitenzorgschen plantentuin geeft hij ons een denkbeeld, dat bijblijft.

Sluiten