Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons hoofd — bloemfijne geuren stygen uit het dal de

Oostersche nacht nadert:

„Entends ma chère, entends, la douce nuit, qui marche",

de zachte, oneindige, eenzame, geduchte nacht nadert, en het mystieke bewustzijn van onzichtbare machten, krachten en invloeden gevoel ik op nieuw in een atmospheer van warm duister, waardoor een levende adem gaat.

Uit de ruimte, uit de wyde lucht komt een zacht geluid van een groote menschenmenigte. Tienduizenden inlanders zijn op den Passar Malem saam gestroomd.... onhoorbaar loopen ze en bewegen ze zich— niet één dringt of schreeuwt, is onbeleefd of dronken — Dramatisch is elke groote menschenmenigte, maar deze doordringt ons met ontzag juist door haar stille kracht.... geluidloos bewegen de duizenden zich, verheugen ze zich, met breede, gladde strooming trekt de groote

menigte mannen, vrouwen, kinderen voorby Ik vond die

stille menigte geheimzinnig als de nacht.

Indien al het geziene en doorleefde in zachte peinzerij uit het zeeblauw weder voor my opdoemde, zou de droom zoo lang worden en onbestemd als 't eindeloos suizen in de horenschelp van ons strand.

Want ik heb zooveel gezien en half begrepen, half gevoeld in 't Indische tooverland, in 't wonder-mooie, nog steeds groeiende en wordende land der vulkanen.

Wat heb ik een aantal nieuwe, levende koppen, gezichten vol karakter en vreemde Oostersche oogen bestudeerd!

De inlanders, die eerst allen op elkaar geleken, kregen langzamerhand elk een eigen voorhoofd, neus en mond. Zoo zie ik ze veelvormig, veelkleurig voorbijgaan, als ik aan hen denk. En dan die kleine kinderen van Java en Sumatra, zoo grotesk door de met wit rystmeel beplakte voorhoofden en

Sluiten