Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 Maart 1887 J) het regeeringsvoorstel strekkende om het artikel te lezen als volgt:

„Alle Nederlanders zijn gelijkelijk benoembaar tot openbare betrekkingen, behoudens de eischen van bekwaamheid en geschiktheid.

\ reemdelingen zijn tot geene andere Rijksbetrekkingen benoembaar dan tot die welke de wet aanwijst" 2).

Het begrip landsbediening is bij de Grondwet niet omschreven. In beteekenis verschilt het van staatsambt, welke uitdrukking in art. 96 voorkomt, in zoover dat onder staatsambt ook de ambten moeten worden begrepen, die in de koloniën worden vervuld, terwijl ten aanzien van het woord landsbediening eerder verschil van meening mogelijk is en men het met eenigen grond zou kunnen beperken tot de bedieningen in het moederland waargenomen 3). Er zou dan buiten vallen het ambt van den regent, in Ned.-Indië door den Gouverneur(Teneraal uit de inlandsche bevolking gekozen, en de benoeming van den regent, een niet-Nederlander, zou den steun eener wetsbepaling niet bepaald behoeven. Hoe dit zij, zoodanige bepaling bestaat, en wel in art. 69 van het Reg. Reglement voor Ned.-Indië.

Dat overigens bediening en ambt eensbeteekenend zijn is ook de zienswijze van prof. Buys 4).

Het eerste lid strekt ten waarborg dat het al of niet benoembaar zijn niet mag afhangen van rang of geboorte, noch ook, zooals mede in art. 169 staat, van godsdienstige belijdenis. Niemand hecht er eene beteekenis aan alsof niet zou mogen worden gelet op sekse, leeftijd, bewijzen van bekwaamheid, zedelijkheid en in het algemeen op kenteekenen van geschiktheid.

In de tot uitvoering der tweede alinea strekkende wet van 4 Juni 1858 (Stbl. n°. 46), regelende de benoembaarheid van

1) Handd. V, blz. 356.

2) Uit de Memorie van Toelichting bleek, niet expressis verbis, maar toch duidelijk genoeg, dat de regeering onder landsbediening en rijksbetrekking hetzelfde verstond.

3) Zie aanteekening op art. 96.

4) Grondwet, I, blz. 53.

Sluiten